Helpdesk

  •  Heb je problemen met New Interface?

  • Is de uitleg bij een bepaalde oefening niet duidelijk?

  • Begrijp je niet hoe of wanneer je de 'present continuous' gebruikt?

  • Wil je weten hoe je je het beste op een taaltoets kunt voorbereiden?

  • Snap je niet waar Grammar blocks goed voor zijn?

De meest gestelde vragen uit deze rubriek kun je trouwens vinden op de pagina  FAQ. Het is het handigst om voordat je een vraag stelt eerst daar eens te kijken.
 

 

hallo,
ik snap dat bijwoord en bijvoegelijk naamwoord +ly en zonder ly helemaal niet, kan je dat nog een keer uitleggen?
groetjes, kim

Hallo Kim,
Een bijwoord wordt vaak verward met een bijvoeglijk naamwoord.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets IS:
It's a GOOD book. She's BEAUTIFUL.
Een bijwoord zegt hoe iets GEBEURT:
The book is written WELL. She sings BEAUTIFULLY.
Sommige bijwoorden vorm je door -LY achter een bijvoeglijk naamwoord te zetten:
beautiful - beautifully
easy - easily
Sommige bijwoorden zijn gelijk aan het bijvoeglijk naamwoord:
fast - fast
En dan de plaats van het bijwoord:
Bijwoorden als really / only / always / never / normally / usually etc. staan:
>voor het hoofdwerkwoord:
I always work on Saturdays.
You should really work harder, you know.
She only comes here because of Jake.
>maar na een vorm van to be (am / is / are / was / were)
George is always late.
Mary and Kevin are always ill when we have a test.
Doei,
Interface Hallo Newinterface,
ik had een vraag over de zinsopbouw in het engels.
zouden jullie alle woordsoorten in volgorde willen geven in een engelse zin?
alvast bedankt!
groetjes ruben,

Hi Ruben,
In een Engelse zin begin je met het onderwerp, daarna volgt de persoonsvorm (het gezegde), daarna volgen meewerkend en lijdend voorwerp:
James - gave - her - a ring.
Wil je een tijdsbepaling toevoegen, dan zet je die achteraan:
James - gave - her - a ring- at the restaurant.
Wil je dan ook nog een tijdsbepaling toevoegen, dan zet je die vooraan of achteraan:
Last night - James - gave - her - a ring- at the restaurant.
of: James - gave - her - a ring- at the restaurant - last night.
Zorg er voor dat de plaatsbepaling altijd voor de tijdsbepaling staat.
Doei,
Interface Hallo,
Ik had een vraagje, wanneer gebruik je nou for en since?
groetjes!!

Hoi Loek,
For en since gebruik je in zinnen met een present perfect.
In zo'n zin beschrijf je dingen die in het verleden begonnen zijn en die nog steeds doorgaan.
I have lived here for three years (AL drie jaar).
I have lived here since 2006 (SINDS 2006).
Duidelijk zo? Groetjes,
InterfaceHallo new interface,
Ik zit in de 2de klas en zijn bij hoofdstuk 1
Ik snap niet zo goed hoe je moet kizen tussen de present simple, de past simple en de present continuis!
Groetjes Madelon

Hi Madelon
Dat is niet zo heel moeilijk hoor, kijk maar:
-present simple:
voor dingen die vaak /regelmatig / gewoonlijk gebeuren (maar NIET nu op dit moment)
"Josh always goes to school by bike." (hij is dus NIET nu onderweg)
"Does Josh always go ...?"
"Josh doesn't always go to ..."

Je gebruikt de present continuous  voor dingen die NU aan de gang zijn (Look!/Now...)
"Look! Richard is playing tennis"
"Is Richard playing ...?"
"Richard isn't playing ..."

-past simple: 

voor dingen die op een bepaald moment in het verleden gebeurd zijn
(Let op: het gaat er vooral om WANNEER het gebeurd is; er staat dus altijd een tijdsbepaling bij)
"Yesterday I watched Top of the Pops on television".
"Did you watch TOTP ...?"
"I didn't watch TOTP ..."
Eigenlijk is dit het hele verhaal.
Snap je het zo een beetje?
Groetjes,
InterfaceHallo,
ik zit in 3 vwo, ik heb een tekstboek en een werkboek, maar zou ik ook nog een cd-rom bij kunnen bestellen? Ik zou deze cd-rom graag willen ontvangen. New Interface, label blue, HV3
Judith Leijenhorst

Hoi Judith,
Ik denk wel dat dat mogelijk is, maar het is NIET mogelijk hem langs deze weg te bestellen.
Je zult contact moeten opnemen met de afdeling klantenservice van de uitgever: www.thiememeulenhoff.nl.
Groetjes,
Interface

Hallo,
Ik heb een vraagje over de tijden. Ik snap het helemaal als ik het uit het boek leer maar zodra ik ze door elkaar krijg in het proefwerk bijvoorbeeld, dan snap ik er helemaal niks meer van. Bij het vorige proefwerk had ik een 3.3 omdat ik alle grammatica volledig fout had gedaan. Mijn moeder snapte er helemaal niks van want ik kende het helemaal. Hebben jullie misschien een idee hoe ik dit het beste kan aanpakken.>br> Groetjes een meisje wat heel slecht is in Engels

Hoi Meisje,
In zekere zin werkt het leren van die rottige tijden net als het leren van wiskunde: oefenen, oefenen en nog eens oefenen.
Maak en/of leer de WB-oefeningen, maak de grammar blocks, vraag je docent om extra oefenstof, maakt niet uit. Hoe meer hoe beter. Want: oefenen werkt beter dan het leren van regeltjes.
Maar, voor de zekerheid is hier nog een keer een overzicht van de meest gebruikte tijden.
Ik hoop dat je er wat aan hebt ;-)
-present simple:
voor dingen die vaak /regelmatig / gewoonlijk gebeuren (maar NIET nu op dit moment)
"Josh always goes to school by bike." (hij is dus NIET nu onderweg)
"Does Josh always go ...?"
"Josh doesn't always go to ..."

Je gebruikt de present continuous  voor dingen die NU aan de gang zijn (Look!/Now...)
"Look! Richard is playing tennis"
"Is Richard playing ...?"
"Richard isn't playing ..."

-past simple:
voor dingen die op een bepaald moment in het verleden gebeurd zijn
(Let op: het gaat er vooral om WANNEER het gebeurd is; er staat dus altijd een tijdsbepaling bij)
"Yesterday I watched Top of the Pops on television".
"Did you watch TOTP ...?"
"I didn't watch TOTP ..."

-past continuous:
 voor dingen die op een bepaald moment in het verleden aan de gang waren.
"When the telephone rang (= moment in het verleden) I was watching the news (was toen aan de gang)".
"Were you watching the news, when...?"
"I wasn't watching the news, when ..."

-present perfect:
* Voor dingen die in het verleden gebeurd zijn, zonder dat het belangrijk is wanneer precies.
(Het gaat erom DAT het gebeurd is, niet WANNEER het gebeurd is).
"Roddick has beaten Sampras five times."
* Voor dingen die in het verleden begonnen zijn en nog niet zijn afgelopen:
"I have played tennis for two years."
"Have you played ...?"
"I haven't played ..."
"I have played tennis since 1999."(in het Engels heel vaak met 'for.../since...')

-present perfect continuous:
* Voor dingen die in het verleden begonnen zijn en nog niet zijn afgelopen (tot zover dus hetzelfde verhaal als wat er bij present perfect stond...) maar waarvan je benadrukken wilt dat het al wel erg lang duurt.
"I have been playing tennis since three o'clock this afternoon"
"Have you been playing ...?"
"I haven't been playing ..."
(Je vindt dit zelf dus erg lang, anders had je wel gezegd:"I have played tennis since three o'clock this afternoon").
Groetjes,
Interface

hoi new interface
Ik ben bij Unit 9.
Ik snap de korte antwoorden (short answers) niet.
Wanneer je now de vorm van to be moet gebruiken op van to do.
Kunnen jullie het mij alsjeblieft helpen.
Groetjes
Talitha

Hoi Talitha,
In een kort antwoord begin je met JA of Nee (yes/no) en vervolgens maak je een kort zinnetje van je antwoord. Een zinnetje bestaat minimaal uit een onderwerp en een persoonsvorm, dus een 'short answer' ziet er ongeveer zo uit:
Yes, I am of No, I don't.
Zo'n zinnetje sluit altijd aan bij de vraag. Dus als er wordt gevraagd 'Doe je ...' dan zeg je 'Ja, ik doe' en als men vraagt 'Wil hij' dan zeg je 'Ja, hij wil' of 'Nee, hij wil niet'.
Do you know where he lives? Yes, I do / No, I don't.
Are you happy? Yes, I am / No, I'm not.
Groetjes,
Interface
Hallo
Ik snap het gedeelte van myself, yourself enzo niet.
Groet dee
Cristofoli,

Hi Cristofoli,
Je gebruikt de vormen met -self/-selves als je iets met extra nadruk wilt zeggen.
-self is enkelvoud: myself, yourself, himself, herself.
-selves is meervoud: ourselves, yourselves (jullie), themselves.
Ik heb het zelf gedaan: I have done it myself.
Hij zei het zelf: He said it himself.
We hebben het zelf betaald: We haev paid for it ourselves.
Groetjes,
Interface

Hallo Interface:)
Ik snap H7 niet en ik zit in de 2e klas en doe met de blue label..ik snap de passive vorm niet(lijdende vorm) zou ik betere uitleg dan van het boek of men leraar kunnen krijgen:(
en als er een opdracht is van present simple en present perfect snap ik ook niet welke het moet zijn
groetjes MileyCyrusFan;)

Hi Fan,
Ik weet natuurlijk niet wat je docent allemaal verteld heeft, maar hier volgt mijn versie. Ik hoop dat je er wat aan hebt.
De passive bestaat uit een vorm van be, gevolgd door een voltooid deelwoord.
I am always beaten by John.
John is often beaten by Obama.
Wat dient een passive nou eigenlijk voor?
De passive is een andere manier om tegen gebeurtenissen aan te kijken. Is een zin 'active' dan zeg je bijvoorbeeld:
Robbie Williams recorded the song in 2001.
Waar het de spreker dus waarschijnlijk om gaat, is dat het Robbie Williams was die het liedje opnam.
Hij had ook kunnen zeggen:
The song was recorded in 2001.
Hij heeft het nu over dezelfde gebeurtenis, alleen legt hij nu nadruk op het feit dat het in 2001 gebeurde, en hij laat in het midden dat Robbie W. degene was die de handeling verrichtte.
Kortom, als je een passive gebruikt zeg je hetzelfde, maar je legt een ander accent.
Je vormt een passive dus door een vorm van het werkwoord 'be' te gebruiken, samen met een voltooid deelwoord.
Het werkwoord 'be' zet je dan in de tijd die je nodig hebt.
Voorbeeld:
The record IS recorded by Sony (present simple passive).
The record WAS recorded in 2001 (past simple passive).
The record HAS BEEN recorded twice (present perfect passive).
Hoe weet je nou welke tijd je gebruiken moet? Daarvoor gelden dezelfde regels als bij normale ('active') zinnen:
-vaak, dikwijls, altijd -> present simple
-in het verleden gebeurd (tijdsbepaling) -> past simple
enz.
Let hierbij op signaalwoorden (last night, always, now, etc.)
Groetjes,
Interface
Zijn er van leerjaar 2 ook points of moet ik alles copieren,Monique


Hallo Monique,
Klopt, er zijn geen punten van de andere leerjaren.
Groetjes,
Interface

Hallo new interface,
ik zit nu in 2 havo, en wij hebben voor engels ook jullie methode. Wij hebben green label van 2 havo. Maar nu ben ik mij cd kwijt geraakt en ik moet nu die opdrachten op de cd-rom doen. Ik zou willen vragen of jullie een nieuwe op kunnen sturen. Als jullie gereageerd hebben geef ik mijn adres door
Groetjes

Hi Isabelle,
Met dit soort vragen moet je niet bij mij zijn maar bij de afdeling klantenservice van de uitgeverij. Ik ga alleen over de inhoud van de website.
De website van de uitgeverij is www.thiememeulenhoff.nl.
Groetjes,
Interface
Haai interface,
Ik heb morgen een proefwerk over unit 5 en ik zit in de 2e.
En ik snap het verschil niet tussen de past continuous, past simple en de present perfect. Want dan krijg ik van die zinnen, fill in:
En dan moet ik kiezen tussen die 3 alleen ik weet nooit welke ik moet gebruiken.
Alvast bedankt!
Groetjes,

Haai,
Je gebruikt de past simple als je zegt WANNEER iets gebeurde of WANNEER iemand iets deed: Last night I read the newspaper.
Je gebruikt de past continuous als je zegt wat iemand aan het doen was op een bepaald moment in het verleden: I was reading the newspaper when the phone rang.
Je gebruikt de present perfect als je zegt WAT er gebeurde (het doet er niet toe wanneer): I have read the newspaper already.
Heb je trouwens het grammar block al gedaan bij de unit die je voor de toets moet leren? Is best handig hoor!
Succes morgen.
Interface
Naam: @
Vraag: hee,
ik snap van unit 4, 4.2 niet. dat gaat over past simple <> past perfect. kunnen jullie mij dat please uitleggen??
xxx

Hi @,
Je gebruikt de past simple:
voor dingen die op een bepaald moment in het verleden gebeurd zijn
(Let op: het gaat er vooral om WANNEER het gebeurd is; er staat dus altijd een tijdsbepaling bij)
"Yesterday I watched Top of the Pops on television".
"Did you watch TOTP ...?"
"I didn't watch TOTP ..."
Je gebruikt de past perfect voor dingen die langer geleden zijn dan andere:
When I came home (◄ is dus een moment in het verleden), my parents had already left (◄ langer geleden dan jouw thuiskomst).
Dat is al ...
Groetjes,
Interface
Naam: Liez!
Vraag: Hee Interface.
Ik heb een vraag over helpdesk 4.2, en de selftesting oefening 31. Daarbij moet je kiezen om de present simple, present perfect, present passive, present perfect passive en past passive (vormen van de t.t. en 'worden') in een zin te gebruiken. Ik snap wel wat de present simple, present perfect, present passive, present perfect passive en past passive zijn,
~!! maar ik snap niet WANNEER je ze moet gebruiken als je kan kiezen tussen die 5 !!~
En zowieso snap ik dus niet wanneer je nou in een Engelse zin een passive moet gebruiken als de nederlandse zin er niet bijstaat.
Bijvoorbeeld: When Josh got himself tangled up on the T-bar he ... by a girl from France. Wat is het antwoord?
Can you help me please?
Ik heb a.s. woensdag een so van het hele hoofdstuk, en dat onderdeel snap ik dus niet.
Thanks!

Hoi Liez,
Ingewikkelde vraag.
Welke tijd je gebruikt zie je aan zgn signaalwoorden:
sometimes, often, usually, every weekend => present simple
tijdsbepalingen als: last night, in 1998 => past simple
already, yet, ever, never, just => present perfect
enz.
En dan de passives:
Je gebruikt een passive als je het niet zo belangrijk vindt wie iets doet.
Handig voorbeeld:
Wat zeg je als je fiets gestolen is? Zeg je dan 'Een dief heeft mijn fiets gestolen' of zeg je: Mijn fiets is gestolen'?
Ik denk het laatste. Waarom? Omdat je het op dat moment belangrijker vindt te vertellen DAT je fiets gestolen is dan DOOR WIE, want dat weet je niet eens.
In zo'n geval kies je dus voor een passive.
En in welke tijd moet die passive staan?
Dat werkt met lijdende (passive) zinnen precies eender als met bedrijvende (active).
Want de passive sentences kunnen, net als active sentences in alle tijden staan die er zijn.
Active:
He always helps her. (vaak, regelmatig -> present simple)
He helped her with her homework last night. (toen -> past simple)
He has helped her lots of times. (doet er niet toe wanneer -> present perfect)
Passive:
She is always helped by him. (vaak, regelmatig -> present simple)
She was helped last night. (toen -> past simple)
She has been helped lots of times. (doet er niet toe wanneer -> present perfect)
Groetjes,
Interface

Naam: s.o.s help me
Vraag: Ik begrijp de If zinnen niet
Er staat in if-zinnen geen will of would na if maar wat bedoelen ze daar precies mee??
XX me

Hoi!
If-zinnen zijn zinnen met een voorwaardelijke bijzin er in. Bijv:
If you ask him, he will help you. Zo iets dus.
Je krijgt hier present simple in de bijzin (If you ask him) en will + hele werkwoord in de hoofdzin (he will help you).
Het kan ook anders:
If you asked him, he would help you: past simple in de bijzin, would + hele werkwoord in de hoofdzin.
Er is ook nog een derde mogelijkheid:
If you had asked him, he would have helped you (past perfect in de bijzin, would have + voltooid deelwoord in de hoofdzin).
De betekenis van deze zinnen is natuurlijk steeds net iets anders.
Bij de eerste zin zou het best kunnen dat hij je helpt, je moet het alleen even vragen. Bij de tweede zin is dat nog niet zo zeker. Bij de derde zin kan het al niet meer. Je had het moeten vragen, dan had hij misschien geholpen, maar dat heb je niet gedaan, dus ...
Wat je beslist NIET moet doen is will of would gebruiken in de bijzin (dat is dus het gedeelte dat met IF begint!!). Kijk maar naar de voorbeelden. Will of would gebruik je alleen in de hoofdzin.
Snap je het nu een beetje?
Interface
Naam: Joice
Vraag: Haloo interface !!
ik wouw eerst even zeggen dat het een goed pragramma is waar je al je pragen kan stellen maar nou dit,
Kunnen jullie mij uitleggen over dat comparisons(vergelijkingen)
hoe je dat moet toe passen
( oo, en als het geen moeite is kunnen jullie ook uitleggen over de tags?)
HARTELIJK BEDANKT !!!

Hoi Joice,
Hier is de uitleg over de trappen van vergelijking.
Dat vergelijken werkt als volgt:
Bij korte woorden  kun je '-er', ' -est' gebruiken:
big - bigger than - biggest (let op de dubbel g)
hot - hotter than - hottest (dubbel t)
nice - nicer than - nicest (maar één e)
strong - stronger than - strongest
Bij lange woorden  kan dat niet. Bij lange woorden gebruik je 'more' en 'most'.
interesting - more interesting than - most interesting
beautiful - more beautiful than - most beautiful

Het probleem is natuurlijk om te weten wanneer een woord te lang is om '-er', '-est' te kunnen krijgen.
Daar zijn een paar regeltjes voor:
Heeft een woord maar één lettergreep , dan is het kort (-er, -est dus).
Heeft een woord drie lettergrepen  of meer dan is het lang (more en most ).
Blijft over de groep met woorden van twee lettergrepen .
Deze woorden krijgen meestal more - most
(boring - more boring than - most boring),
behalve als ze eindigen op :
-ow: yellow - yellower than - yellowest
-le : simple - simpler than - simplest
-er: clever - cleverer than - cleverest
-y : happy - happier than - happiest
-some: handsome - handsomer than - handsomest
Hoe gebruik je dit nu allemaal in een zin?
as ... as ...:
John is taller than Jack (langer dan),
John is as tall as Jack (net zo lang als),
John is not as tall as Jack (niet zo lang als).

En nu die tags:
Een kort vraagje zoals isn't it noem je een tag. In een 'tag' herhaal je het onderwerp en de persoonsvorm uit de zin. Maar, ... die persoonsvorm moet wel een hulpwerkwoord zijn. Als er geen hulpwerkwoord in de zin staat, moet je do, does of did gebruiken.
Verder moet je er aan denken dat de tag ontkennend is als de zin bevestigend is en andersom.
Dus:
You have got the tickets, haven't you?
(you en have zijn onderwerp en persoonsvorm, have is een hulpwerkwoord)
Maar:
You bought the tickets, didn't you?
(you en bought zijn onderwerp en persoonsvorm, bought is GEEN hulpwerkwoord, dus je gebruikt did)
You haven't seen him, have you?
You told them, didn't you?
Ik hoop dat het zo een beetje duidelijk is.
Groetjes,
Interface
Naam: maaike
Vraag: hoihoi!
zouden jullie mij misschien iets kunnen uitleggen? ik heb dinsdag een proefwerk over pastsimple & present perfect. ik vind het nogal lastig en haal het de hele tijd door elkaar. kunnen jullie misschien een goede aantekening maken?!
alvast bedankt!
Groetjes!!

Hoihoi Maaike,
Je gebruikt de past simple voor dingen die op een bepaald moment in het verleden gebeurd zijn
Let op: het gaat er vooral om WANNEER het gebeurd is; er staat dus altijd een tijdsbepaling bij.
"Yesterday I watched Top of the Pops on television".
"Did you watch TOTP ...?"
"I didn't watch TOTP ..."
Je gebruikt de present perfect
* Voor dingen die in het verleden gebeurd zijn, zonder dat het belangrijk is wanneer precies.
Het gaat erom DAT het gebeurd is, niet WANNEER het gebeurd is. Er staat dus GEEN tijdsbepaling bij zoals bij de past simple, maar er staan woorden in de zin als: already, yet, just, ever, never enzo.
"Roddick has beaten Sampras five times."
Bovendien gebruikk je de present perfect voor dingen die in het verleden begonnen zijn en nog niet zijn afgelopen:
"I have played tennis for two years."
"Have you played ...?"
"I haven't played ..."
"I have played tennis since 1999."(in het Engels heel vaak met 'for.../since...')
Groetjes,
Interface

Naam: jongetje
Vraag: hallo wanneer moet ik a en an gebruiken??

Hoi Jingetje,
Je gebruikt A voor een medeklinker, je gebruikt AN voor een klinker.
a book, a car maar an elephant, an officer.
Maar!!! je moet op de uitspraak letten en niet op de spelling. Met andere woorden, je gebruikt A als je een medeklinker HOORT en je gebruikt AN als je een klinker HOORT.
a unit, a university (je hoort een J) maar an hour (je hoort een ou) an X-box (je hoort een e)
Doei,
Interface
Naam: hooi
Vraag: hi1, Ik snap van dat who, which en that niet helemaal.

Hallo Hooi,
Als je zegt 'De man die gisteren belde ...', dan wordt met het woord 'die' de man bedoeld.
'die' verwijst dan terug naar 'de man'.
Een woord als 'die' noem je een betrekkelijk voornaamwoord', omdat het betrekking heeft op een ander woord. In het Engels gebruik je vaak 'who' of 'which'. Who gebruik je als het betrekking heeft op personen (zoals in de zin hierboven), which gebruik je als het betrekking heeft op dingen, zoals in een zin als: De fiets die daar staat heeft £350 gekost. Vaak kun je who of which vervangen door that, maar niet altijd. Of dat kan hangt er van af of het de bijzin tussen komma's staat of niet.
Klinkt ingewikkeld, want wat is nou weer een bijzin?
Voorbeeld: The boy who helped me with my History project is in Mr Pratt's class.
Dit is een zin die uit een hoofdzin (The boy ... is in Mr Pratt's class) en een bijzin (who helped me with my History project) bestaat.
Als de bijzin tussen komma's staat, verschaft hij extra informatie. Als je zo'n bijzin schrapt blijft er een goede, logische zin over. In zo'n bijzin kun je who of  which NIET vervangen door that. Napoleon, who was a great man, was born on Corsica.
Als de bijzin NIET tussen komma's staat (dan kun je hem ook niet weglaten omdat je dan geen fatsoenlijke zin overhoudt...), kun je who of which WEL vervangen door that.
The man who/that gave me the book looked a bit like Napoleon.
Als je twijfelt gewoon who (personen) of which (dingen) gebruiken.

Betrekkelijke voornaamwoorden kun je ook vaak weglaten. Of dat kan hangt er van af of het het onderwerp is in de bijzin.
Voorbeeld: The boy who helped me with my History project is in Mr Pratt's class.
In de bijzin (who helped enz.) is who het onderwerp.
Dat mag je dus niet weglaten.
Een ander voorbeeld: The boy who I helped with his History project is in Mr Pratt's class.
In deze zin luidt de bijzin: 'who I helped with his History project.
Het onderwerp in de bijzin is I. In deze (bij)zin mag je het betrekkelijk voornaamwoord (who) dus wel weglaten.
Duidelijk zo?
InterfaceNaam: Daphne Francke
Vraag: hoe kan je het beste je grammatica leren?? ik vind het heel moeilijk om het te leren! dus kunnen jullie mij de beste manier van het leren van je grammatica??

Hi Daphne,
Eigenlijk leer je grammatica door het te doen. Net als Wiskunde. Regeltjes (zoals over het gebruik van de tijden) uit je hoofd leren is namelijk niet zo moeilijk, maar de situatie herkennen waarin je het regeltje gebruiken moet, is veel moeilijker. Daar heb je taalgevoel voor nodig of, (als je dat niet hebt) ervaring. Taalgevoel heb je of je hebt het niet, ervaring kun je krijgen door veel te oefenen. Dat doe je met Workbook exercises, CD, Grammar blocks etc. Misschien heeft je docent ook nog wel iets in de kast liggen.
Succes in ieder geval.
InterfaceVraag: Hoi,
Ik heb morgen proefwerk over hoofdstuk 3 en zou je alstublieft goed kunnen aangeven wat de future is.
Groetjes

Hi Hoi,
Ik snap best dat je moeite hebt met de future, want het is best een beetje een vaag verhaal. Het komt hierop neer: Je zegt I shall  en We shall, en in alle andere gevallen gebruik je will (will not = won't)
Het is vaak het handigst om shall en will af te korten (beide worden dan 'll) dan hoef je je ook niet af te vragen welk van de twee je gebruiken moet. Alleen in vragende zinnen (als het aan het begin van de zin staat) zou je het dan fout kunnen doen.
En dan is er naast shall en will ook nog going to.
Heel vaak (misschien wel in meer dan de helft van de gevallen) kun je shall/will en going to beide gebruiken. Maar er zijn ook gevallen waarin toch een van de twee de voorkeur heeft (wat niet zeggen wil dat iedereen zich daar dan ook aan houdt).
Misschien geeft dit houvast:
gebruik going to als het gaat om dingen waar mensen zelf voor kiezen:
I'm going to visit Grandma tonight.
en shall/will voor dingen waar je zelf geen invloed op hebt:
We'll have more rain tomorrow.
Doei,
InterfaceNaam: lolo
Vraag: met leren krijg ik de woordjes er niet ingestampt hebben jullie nog een goede manier (behalve met www.wrts.nl)?

Hallololo,
Woordjes leren (of zinnetjes) is voor sommige leerlingen best lastig. Het helpt als je het leren uitsmeert over meerdere momenten (dus 3x tien minuten ipv 1x een half uur).
Verder is het handig om alle woorden een keer op te schrijven. Je moet jezelf ook overhoren (of laten overhoren). Overhoren kan met de Wordcheck (achterin Coursebook), maar ook met de CD.
De allerlastigste woorden, de woorden die je er steeds maar niet ingestampt krijgt, schrijf je op een kaartje en dat stop je in je zak, zodat je daar steeds (op de fiets, in de bus) even naar kijken kunt.
Er staan ook overhoorprogramma's op internet (Overhoor, Teach2000, WRTS). Dat zou je ook eens kunnen proberen.
Je zou ook eens kunnen kijken op woordjesleren.nl, daar staan heel veel woordenlijsten (ook van andere vakken) en je kunt online oefenen.
Ook de onregelmatige werkwoorden moet je goed leren. Ze zijn heel belangrijk omdat je ze vaak gebruikt en omdat docenten er altijd van uitgaan dat je ze kent. Eigenlijk moet je ze voor ieder proefwerk een keer doornemen. net zo lang tot je ze kunt dromen.
In ieder geval moet je het niet opgeven want dat helpt zeker niet.
Interface
Naam: Tess
Vraag: Ik snap dat van any en some niet
ik wil zo graag eens een voldoende
voor engels staan.

Dag Tess,
Het some<>any verhaal is niet zo moeilijk: Je moet kijken naar de zin.
- Is het een bevestigende zin, dan gebruik je some:
I need some money.
- Is het een ontkennende zin, dan gebruik je any:
I don't need any money.
- Is het een vragende zin, dan gebruik je meestal any:
Have you got any money?
Met woorden als somebody <> anybody, somewhere <> anywhere etc. werkt het op precies dezelfde manier.
InterfaceNaam: ********
Vraag: hee ik heb een kort vraagje ik snap nisk van al die CAN COULD SHOUT enz. willen jullie me het ff uitleggen!!!  kusje ****

Dag Sterretje,
Hieronder volgt het antwoord op je vraag.
must -> moet (kan niet anders, verplicht)
You must be home before ten o'clock.
mustn't -> mag niet
You mustn't forget to do your English homework.
can -> kunnen, mogen
I can play tennis very well (=kunnen)
Can I borrow your new silk top? (=mogen)
could -> zou kunnen, zou mogen
You could buy a Ferrari, Dad. (= zou kunnen)
Could I have another beer, please? (= zou mogen)
couldn't -> kon niet, zou niet kunnen
I couldn't come to your party last night. Sorry! (=kon niet)
I couldn't tell you where she lives. (zou niet kunnen)
should -> zou (eigenlijk) moeten
You should visit your granny more often.
shouldn't -> zou niet moeten.
You shouldn't listen to that bully.
might -> zou (misschien) kunnen
I might go to that party. I just don't know yet.
Doei,
InterfaceNaam: chantal
Vraag: hoe werkt het bezit wanneer gebruik je wat? part 3 Unit 2

Hallo Chantal,
Bij 'dingen' gebruik je of: the legs of the table.
Je gebruikt -'s of -' bij personen.
Je gebruikt alleen een apostrof (-') bij meervouden die op een -s eindigen:
my parents' car
je gebruikt apostrof s ('s) in andere gevallen (dus ook bij enkelvouden die op een -s eindigen.
Peter's car, Charles's car.
Doei,
InterfaceNaam: Marietta
Vraag: Kan je nog iets meer uitleggen over de plaats van het bijwoord?

Dag Marietta,
Bijwoorden als really / only / always / never / normally / usually etc. staan:
>voor het hoofdwerkwoord:
I always work on Saturdays.
You should really work harder, you know.
She only comes here because of Jake.
>maar na een vorm van to be (am / is / are / was / were)
George is always late.
Mary and Kevin are always ill when we have a test.
Groetjes,
InterfaceNaam: timmi
Vraag: wat is much and many, dat snap ik niet.

Hi Timmi,
Het much/many probleem is hetzelfde als het little/few verhaal.
Telbaar (je kunt het woord in het meervoud zetten) -> many of few
many books, few people
Niet telbaar (je kunt het woord NIET in het meervoud zetten)) -> much of little
much money, little information.
a little betekent een beetje: a little sugar
a few betekent een paar: a few days
Greeetz,
InterfaceNaam: pienn
Vraag: hallooo! ik heb een vraag over be able to/ en be allowed
bij sommige zinnen krijg je will of shall als het bijvoorbeeld zal niet kunnen is maar waareer moet je dan will en waarneer moet je dan shall gebruiken??

Hi Pien,
Shall gebruik je bij I en we, will in andere gevallen.
have to betekent moeten (verplicht zijn)
be able to betekent kunnen (in staat zijn).
be allowed to betekent mogen (toestemming hebben.
Alle drie deze werkwoorden kun je in alle tijden gebruiken.
Dus: present simple:
I have to work tonight.
He/she has to work tonight.
You/we/they have to work tonight.
I am able to answer your question.
He/she is  able to answer your question.
You/we/they are able to answer your question.
I am allowed to go to your party.
He/she is allowed to go to your party.
You/we/they are allowed to go to your party.
past simple:
I (you/he/she/it/we/they) had to work tonight.
I (he/she) was able to answer your question.
You (we/they) were able to answer your question.
I (he/she) was allowed to go to your party.
You (we/they) were allowed to go to your party.
present perfect:
I (you/we/they) have had to work tonight.
He/she/it has had to work tonight.
I (you/we/they) have been able to help you.
He (she) has been able to help you.
I (you/we/they) have been allowed to go there.
He (she) has been allowed to go there.
En dan kun je deze zinnen ook nog eens vragend of ontkennend maken:
Did you have to ...?
Are you able to ....?
Was he allowed to ...?
We aren't able to ...
They weren't allowed to ....
Is het een beetje duidelijk zo?
Groetjes,
Interface
Doei,
InterfaceNaam: Lief!
Vraag: Hallo, ik zit in de 2e en ik snap niks van can't, can, must, mustn't, could, couldn't, should en shouldn't. Ik snap niet wanneer je ze in een zin moet gebruiken..? Zit er nog een regel met v.t en t.t aan vast? Reageer zo snel mogelijk heb morgen de toets op 18-11-08!!

Hallo Lief,
Heb je hier iets aan?
must -> moet (kan niet anders, verplicht)
You must be home before ten o'clock.
mustn't -> mag niet
You mustn't forget to do your English homework.
can -> kunnen, mogen
I can play tennis very well (=kunnen)
Can I borrow your new silk top? (=mogen)
could -> zou kunnen, zou mogen
You could buy a Ferrari, Dad. (= zou kunnen)
Could I have another beer, please? (= zou mogen)
couldn't -> kon niet, zou niet kunnen
I couldn't come to your party last night. Sorry! (=kon niet)
I couldn't tell you where she lives. (zou niet kunnen)
should -> zou (eigenlijk) moeten
You should visit your granny more often.
shouldn't -> zou niet moeten.
You shouldn't listen to that bully.
might -> zou (misschien) kunnen
I might go to that party. I just don't know yet.
could have + voltooid deelworrd: had kunnen
I could have helped you (had kunnen helpen).
should have _ voltooid deelwoord: had moeten
I should have helped you (had moeten helpen).
Je gebruikt could have en should have als iets had moeten gebeuren, maar niet gebeurd is. Je zegt dit dus altijd achteraf.
Succes verder,
InterfaceNaam: Ezra
Vraag: Hallo, ik heb morgen een proefwerk maar ik snap het steeds maar niet met have got en has got enzo, en ik snap ook niet echt dat met die rangtelwoorden willen jullie me helpen?

Naam: Ezra,
Has got gebruik je bij he/she/it, have got bij I/you/we/they en hasn't got gebruik je in ontkenningen.
Kijk maar:
Have/has got zit als volgt in elkaar:
Bevestigend:
Ik heb: I have got (a book).               
Jij hebt: You have got (a book).
Hij heeft: He has got (a book).
Zij heeft: She has got (a book).
Wij hebben: We have got (a book).
Jullie hebben: You have got (a book).
Zij hebben: They  have got (a book).
Vragend:
Have I got (a book)?
Have you got (a book)?
Has he got (a book)?
Has she got (a book)?
Have we got (a book)?
Have you got (a book)?
Have they got (a book)?
Ontkennend:
I haven't got (a book).
You haven't got (a book).
He hasn't got (a book).
She hasn't got (a book).
We haven't got (a book).
You haven't got (a book).
They haven't got (a book).

Nu de rangtelwoorden:
Alle rangtelwoorden die op een 1 eindigen (behalve 11), krijgen st:
first, twenty-first, thirty-first.
Alles wat op een 2 eindigt (behalve 12), krijgt nd: second, twenty-second, thirty-second.
Alles wat op een 3 eindigt (behalve 13), krijgt rd: third, twenty-third, thirty-third.
De rest (ook 11, 12, 13) krijgt th:
fourth, fifth, fourteenth, twenty-fourth enz.
Als je rangtelwoorden in cijfers schrijft, zet je de laatste twee letters van het woord er achter: third = 3rd, tenth = 10th.
Het klokkijken werk heel simpel:
Je moet OPtellen (five past, ten past, a quarter past, twenty minutes past, twenty-five minutes past, half past) tot en met het halve uur.
Vervolgens moet je dan AFtellen (twenty-five minutes to, twenty minutes to, a quarter to, ten to, five to) tot het volgende hele uur.
Duidelijk zo?
Succes verder.
InterfaceVraag: waneer gebruik je de volgende woorden:
me, my, you, your, him, his, her, her, uus, our, them en their.

Antwoord,
Je gebruikt 'me' (en you/him/her/us/them) als het lijdend of meewerkend voorwerp is (niet het onderwerp dus)
He tells me (you/him/her/us/them) everything.
Je gebruikt 'my' (en your/his/her/our/your/their) als het woord waar het bij hoort er meteen achter staat.
Dus:
my book
your book
his book
her book
our book
your book
their book
Je gebruikt 'mine' (en yours/his/hers/ours/yours/theirs) als het woord waar het bij hoort er voor staat of er helemaal niet staat.
Dus:
This book is mine. It is mine.
This book is yours. It is yours.
This book is his. It is his.
This book is hers. It is hers.
This book is ours. It is ours.
This book is yours. It is yours.
This book is theirs. It is theirs.
Zo duidelijk?
Groetjes,
Interface 

Naam: wes
Vraag: hoe weet je waneer je does, dit ,is, of do  moet gebruiken

Hallo Wes,
Altijd lastig die zinnen met do, does of did (vragende en ontkennende zinnen).
Er zijn twee soorten woorden waarmee een Engelse vraagzin kan beginnen.
Ze kunnen beginnen met een WH-woord (who/what/where/why)
              Where do you live?
              What did she wear?
              Why do you hate me?
Maar, een Engelse vraagzin kan ook beginnen met een hulpwerkwoord. Vaak is dat
een vorm van het werkwoord do (do/does/did):
              Do you like reading?
              Does your brother work here?
              Did they buy the tickets?
Maar het kan ook een vorm zijn van een van de volgende werkwoorden:
be (am/are/is/was/were), can, may, must, shall, will, have.
              Are you his brother?
              Is James still at home?
              Can you play tennis?
Met ontkennende zinnen werkt het een beetje op dezelfde manier.
Als er een hulpwerkwoord in de zin staat kun je daar NOT achter zetten
              James isn't at home.
              I can't play tennis.
Als er geen hulpwerkwoord in de zin staat gebruik je een vorm van do (DO, DOES, DID):
              I don't like reading.
             My brother doesn't work here.
             They didn't buy the tickets.
Ik hoop dat het zo een beetje duidelijk is.
Succes verder,
InterfaceNaam: Janneke
Vraag: hoi,
ik heb een vraag over de Gerund.  ik weet neit wanneer je die moet gebruiken...
ik hoop dat je mij kan helpen...
xxx

Hi Janneke,
Een gerund is een raar woord. Het is een soort kruising tussen een werkwoord en een zelfstandig naamwoord.
Het ziet er uit als een werkwoord (playing, working, singing) maar je gebruikt het op plaatsen waar je normaal gesproken een zelfstandig naamwoord zou verwachten.
Bijv. aan het begin van de zin:
SMOKING is bad for your health.
Na een voorzetsel:
I'm not keen on GOING to discos.
Na werkwoorden die met beginnen en eindigen te maken hebben:
I started LEARNING English when I was five.
She stopped DANCING at twelve o'clock.
Maar ook na werkwoorden die met 'houden van' of 'niet houden van' te maken hebben.
I love READING Harry Potter.
I hate DANCING.
Dit was het zo'n beetje.
Groetjes,
InterfaceNaam: cees
Vraag: hoi ik snap de bezit: my<>mine niet helemaal

Hi Cees,
Je gebruikt my, your, his, her etc. als het woord waar het bij hoort er meteen achter staat:
My book, your bike, his wife ...
Je gebruikt mine, yours, his, hers als het woord er voor staat of als het er helemaal niet staat:
It's mine, the book is yours, that bike is his ...
Je gebruikt mine, yours, his, hers ook als er in het Nederlands staat van mij, van jou, van hem etc.:
a friend of mine, that book of yours, that old bike of his ...
Doei,
InterfaceNaam: Dennis
Vraag: Hoi
ik had een vraagje. waar moet je nou het bijwoord neerzetten? ik doe dat altijd fout. often enzo moeten weer voor het werkwoord, maar andere weer niet. ik snap het gewoon niet! help alstublieft!!

Hallo Dennis,
Bijwoorden als really / only / always / never / normally / usually etc. staan:
>voor het hoofdwerkwoord:
I always work on Saturdays.
You should really work harder, you know.
She only comes here because of Jake.
>maar na een vorm van to be (am / is / are / was / were)
George is always late.
Mary and Kevin are always ill when we have a test.
Doei,
InterfaceNaam: Kloesoe
Vraag: hey
ik snap to be going to niet echt wat moet je doen en waarom zo???

Hoi Kloesoe,
"To be going to + werkwoord" klinkt een beetje cryptische maar het betekent gewoon dat je een vorm van het werkwoord be gebruikt (am, is of are) en daar dan going to achter zet, gevolgd door een ander werkwoord.
Dus: am, is, are going to do.
I am going to do my homework
You are going to do your homework.
He is going to do his homework.
Snap je? En wanneer gebruik je to be going to + werkwoord? Als je duidelijk wilt maken wat iemand (of jijzelf) van plan is.
Groetjes,
InterfaceNaam: Kim
Vraag: Hallo interface,
Ik snap niet waneer je to moet gebruiken of dat je juist too moet gebruiken...

Hi Kim,
Too
(met nadruk) betekent ook: John was there too;
en te (met nadruk): The tickets are too expensive for me.
To (zonder nadruk) betekent van alles en nog wat:
I'm going to London (naar).
It's a quarter to ten (voor).
He gave the present to me (aan).
Doei,
InterfaceNaam: J.
Vraag: Ik heb een vraag over de passive.
Ik weet dat je het werkwoord 'be' zet in de tijd die je nodig hebt, maar waar aan zie je nou welke tijd dat is ? Ik hoop dat het een niet al te stomme vraag is .. Bedankt alvast, J.

Hoi J,
Dat is de tijd waarin de zin staat (of moet komen te staan).
Als de zin in de present simple moet staan gebruik je am, is of are
1. This car is used every day.
Als de zin in de past simple moet staan gebruik je was of were:
2. The car was used last night.
Bij een present perfect krijg je have/has been:
3. This car has been used a lot.
En bij een past perfect krijg je had been:
4. The car he bought had been used already.
Aan 'every day' in zin 1 kun je zien dat je een present simple moet gebruiken.
Aan 'last night' in zin twee zie je dat je de past simple moet gebruiken. Je ziet: het werkt bij passives op dezelfde manier als bij normale zinnen.
Succes verder,
Interface