Activerende didactiek

Kinderen actief en betrokken houden lukt beter als ze doelgericht werken. Het gaat nog beter als de leraar dat vervolgens blijft stimuleren en bevestigen. Geen loze complimentjes, maar zorgen dat leerlingen feedback krijgen op wat ze doen en daarbij positief gedrag benadrukken. De valkuil is dat de leraar het initiatief weer overneemt. Door goede vragen te stellen en eigen keuzes en initiatieven te stimuleren blijft de leerling actief. Je ziet hier enkele fragmenten uit een leesinstructie in groep 3.

Leerdoelen

1. Je bent je bewust dat er tijdens (het voorbereiden van) het geven van onderwijs wat te kiezen valt als het gaat om de manier waarop je problemen die leerlingen ervaren benadert.
2. Je bent bekend met de cyclus planmatig handelen en weet waartoe die kan worden ingezet.
3. Je kent de fasen van het planmatig handelen en kunt voorbeelden geven van activiteiten die in de verschillende fasen zouden passen.
4. Je weet het verschil tussen genormeerde en doelgerichte toetsen, kunt van elk een voorbeeld geven; ook kun je aangeven wat de meerwaarde van beide typen is ten opzichte van de ander.
5. Je weet op welke manier je meer rendement uit een toets kunt halen en kunt dat illustreren met praktijkvoorbeelden.
6. Je hebt ervaring met (activiteiten uit) elke fase van planmatig handelen.
7. Je weet wat de essenties van een diagnostisch gesprek zijn en waardoor het zich onderscheidt van het afnemen van een (‘diagnostische’) toets.
8. Je kent de technieken die nodig zijn bij een diagnostisch gesprek en hebt die tenminste eenmaal bij een leerling toegepast en geobserveerd.
9. Je hebt (met een leerling) een handelingsplan opgesteld dat voldoet aan de SMART-criteria(Specifiek-Meetbaar-Acceptabel-Realistisch-Tijdsgebonden= SMART).
10.Je weet wat het nut van lesdoelen voor leerlingen is en kunt praktijk-voorbeelden geven, waarin dit duidelijk was of juist waarin doelen ontbraken.
11.Je kunt aan de hand van een praktijkcasus aangeven op welke momenten de rol van de leraar cruciaal is om de leerlingen gemotiveerd te houden en doelgericht te laten werken.
12.Je kunt op basis van deze leereenheid jezelf concrete doelen stellen om in de praktijkschool aan te werken.

Fragmenten en opdrachten

Fragment 1

Vieyen wordt even begeleid door haar juf.

1. Welke aspecten van het gedrag van Leonieke herken je als stimulerend. Onderbouw je antwoord!

Fragment 2

 

In het volgende fragment spiegelt Leonieke wat ze heeft opgemerkt tijdens het lezen van Vieyen.

1. Welk effect op Vieyen beoogt Leonieke met haar interventie?
2. Wat maakt dat deze interventie activerend werkt?

Fragment 3

 

Lezen gaat niet alleen om het verklanken van woorden, maar zeker ook om het begrijpen van de inhoud. Leonieke gaat dat na.

Waardoor is dat stimulerend voor Vieyen?

Fragment 4

 

Samen met Leonieke vult Vieyen haar handelingsplan in.

1. Wat maakt deze vorm van handelingsplanning stimulerend voor de leerling?
2. Is dat aan Vieyen te merken? (voorbeelden?)