Communicatie

Het je eigen maken van de vaardigheid observeren draagt in hoge mate bij aan de beroepsbekwaamheid als leraar-in- opleiding. Observeren leer je vooral door het vaak te doen, zoals tijdens stages. Dit onderdeel is daarbij behulpzaam door het in beeld brengen van praktijksituaties (good practice en triggers) en daaraan gekoppelde aandachtspunten, vragen en opdrachten.

Leerdoelen

1.  Je onderscheidt verschillende vormen van waarnemen; je herkent waardoor je sommige dingen eerder of sterker waarneemt dan andere.
2.  Je ervaart door het herhaald bekijken van (eigen) video-opnamen, dat je op dezelfde videobeelden steeds weer andere aspecten ziet (selecteert).
3.  Je hebt ervaren wat het verschil is (in werkwijze en effect) tussen afstandelijk en participerend observeren; op basis daarvan kun je aangeven in welke situaties (voor welk doel) je welke vorm kiest
4.  Je hebt ervaren hoe snel je (gedrag van anderen) interpreteert en je kent manieren om dat tegen te gaan of zelfs te voorkomen.
5.  Je kent je eigen referentiekader en weet welke elementen dat bepalen.
6.  Je herkent (bij jezelf en anderen) het verschil tussen het noemen van feiten en het geven van een mening. Je kunt dat toepassen in het beschrijven van / praten over leerlingen.
7.  Je kunt de principes van basiscommunicatie toepassen in interactie met leerlingen en herkent die (of het ontbreken daarvan) ook bij anderen.
8.  Je herkent verbale interactiepatronen tussen een leerkracht (bv. jijzelf) en een groep kinderen en je kan het effect daarvan op de kinderen analyseren.
9.  Je herkent manieren waarop lichaamstaal door een leerkracht wordt gebruikt voor pedagogische doelen.
10. Je bent je op basis van de observatie van video-opnamen van je eigen lesgedrag bewust van (de rol van) je eigen lichaamstaal en je voorkeurpatroon in verbale interactie.
11. Je kunt op basis van het gedrag van kinderen op school achterhalen of zij wel of niet bezig zijn met echt leren/oefenen.

Fragment en opdrachten

Fragment en opdrachten 1

 

Martijn staat bij de ingang van het lokaal en begroet de leerlingen.

1.Bekijk het fragment en beschrijf wat je ziet: hoe staat Martijn daar?
Herhaal dit voor de vragen:          
Hoe begroet hij de leerlingen?
Hoe begroeten de leerlingen hem?

2.Bekijk dan samen met een collega aan de hand van die beschrijvingen het fragment nogmaals en probeer samen te achterhalen wat de bedoeling van Martijn kan zijn: waarom doet hij wat hij doet en welk effect heeft dat? Is zijn relatie tot alle leerlingen gelijk, denk je?

3.Bedenk op basis van je observaties wat jullie in zijn plaats anders zouden doen. Onderbouw dat met behulp van je kennis van communicatie en interactie met kinderen (zie ook de praktijkopdrachten 2 en 3).

Fragment en opdrachten 2

 

Roy speelt met drie groepsgenoten memory.

1. Volg het fragment en let alleen op wie met wie oogcontact zoekt en krijgt.
Geef dat weer in een schema.
Bekijk het fragment vanuit het onderscheid tussen inhoud, vorm, richting, functie  en ruis. Welk niveau staat op de voorgrond? Geef voorbeelden waaruit dat blijkt.
Bespreek samen met een collega wat je zou doen om de communicatie in dit groepje te versterken, vooropgesteld dat jij in die klas was en de gelegenheid had om bij dit groepje aan te sluiten.
2. Bespreek samen met een collega wat je zou doen om de communicatie in dit groepje te versterken, vooropgesteld dat jij in die klas was en de gelegenheid had om bij dit groepje aan te schuiven.

Fragment en opdrachten 3

Mario is met drie klasgenoten de topografie van Rusland aan het verkennen.
1.  Bekijk het fragment en probeer te achterhalen hoe de rolverdeling in dit groepje is en op welke manier dat uit de onderlinge communicatie blijkt.
Hoe is het oogcontact?
2. Is er in dit groepje sprake van een groot verschil tussen inhoud, vorm, richting, functie en ruis binnen de communicatie? Onderbouw je mening met voorbeelden.

Fragment en opdrachten 4

 

Meester Nico presenteert de jaarlijkse weegopdracht.

1.  Bekijk dit fragment en noteer wat je hoort en ziet aan verbale interactie tussen de leraar en de leerling(en).
Geef na afloop een typering van de rol van de leraar in dit lesfragment.

2. Analyseer hetzelfde fragment nu aan de hand van de volgende categorieën en illustreer dat steeds met voorbeelden uit het fragment:
a. Wat was de inhoud van de communicatie? (wat werd gezegd?)
b. Wat was de vorm waarin werd gecommuniceerd? (hoe werd iets gezegd? Hoe werd gekeken? enz.)
c. Wat was de richting van de communicatie? (tegen wie was het gericht?)
d. Wat was de bedoeling van de communicatie? (welk effect werd beoogd?)
c. Waren er verstoringen of ontsporingen? (welk merkbaar effect werd zeker niet beoogd?)

3. Bespreek deze vraag samen met een collega!
Als jij deze les moest geven en je wilde vooral ervoor zorgen dat de leerlingen zelf actief op onderzoek uitgingen naar de best passende aanpakken en oplossingen, wat zou je dan anders doen dan de leraar in dit fragment?

Fragment en opdrachten 5

 

1. Bekijk dit fragment en noteer wat je hoort en ziet aan verbale interactie tussen de leerkracht en de leerling(en).
   Geef na afloop een typering van de rol van de leraar in dit lesfragment.
2. Analyseer hetzelfde fragment nu vooral gericht op de manier van vragen stellen en illustreer dat steeds met voorbeelden uit het fragment:
a. Waren het open of gesloten vragen?
b. Waren de vragen gericht op kennis, meningen of ideeën, argumenten, of vaardigheden?
c. Was er sprake van aanmoediging of afwijzen/corrigeren?
Kun je in percentages uitdrukken hoe in dit fragment de verdeling was tussen de tijd dat juf Marian aan het woord was en de tijd dat de leerlingen aan het woord waren?

3. Bespreek deze vraag samen met een collega!
Als jij deze les moest geven en je wilde vooral ervoor zorgen dat de leerlingen zelf actief op onderzoek uitgingen naar de best passende aanpak en oplossingen, wat zou je dan anders doen dan de leerkracht in dit fragment?

Praktijkopdrachten

Praktijkopdracht 1

 

Bekijk bovenstaande cartoon (bron: Schoolmanagement, 1989, nr. 6). Deze tekening illustreert de stelling ‘kleding is altijd (ook) communicatie’. Zoek nu in je eigen omgeving voorbeelden van deze stelling en leg die op foto of video vast. Beschrijf welke ‘boodschap’ daarmee volgens jou wordt uitgedragen.

Praktijkopdracht 2

Maak zelf een aantal opnamen van de manier waarop kinderen elkaar en/of hun leerkracht of hun ouders begroeten.
Voorzie deze opnamen van commentaar vanuit de theorie van Leren kun je observeren.
Vraag om reacties van collega’s.

Praktijkopdracht 3

Ga zelf bij de ingang van het lokaal staan en heet de leerlingen welkom op de manier zoals jij dat graag zou willen. Zet de camera zo dat dit in beeld wordt gebracht en ga na afloop na of je in je opzet bent geslaagd! Leg jouw analyse van je eigen gedrag bij de ingang voor aan anderen.

Praktijkopdracht 4

Neem een instructie van jezelf op. Vraag één of meer collega’s om de eerste 10 minuten te analyseren op de volgende aspecten: a. soorten vragen; b soorten reacties op de inbreng van de leerlingen; c. wat denken je collega’s dat het effect was dat je beoogde met (deze start van) je instructie?

Praktijkopdracht 5

Maak een opname van de beste leerling uit de groep en van de zwakste leerling uit de groep tijdens een instructie van het vak waarin zij de beste of de zwakste zijn. Maak een analyse van hun non-verbale en verbale gedrag tijdens die instructie. Met wie hebben of zoeken zij oogcontact? Welke conclusie trek jij uit deze analyse? Leg deze opnamen voor aan anderen en ga na of zij die gelijk interpreteren. Bespreek met hen waaruit eventuele verschillen te verklaren zijn.