Motorische ontwikkeling

Het je eigen maken van de vaardigheid observeren draagt in hoge mate bij aan de beroepsbekwaamheid als leraar-in-opleiding. Observeren leer je vooral door het vaak te doen, zoals tijdens stages. De digitale leereenheid Inzicht in ontwikkeling bij kinderen is daarbij behulpzaam door het in beeld brengen van praktijksituaties (good practice en triggers) en daaraan gekoppelde aandachtspunten, vragen en opdrachten.

Leerdoelen

1. Je kunt de ontwikkeling van de grove motoriek en de kleine motoriek in de dagelijks praktijk observeren, beschrijven en interpreteren.
2. Je leert verschil te onderkennen en te verklaren in bewegingsgedrag tussen jongens en meisjes.
3. Je kunt aan de hand van de identiteitsontwikkeling van de psycholoog Erikson aangeven waarom de (senso)motorische ontwikkeling zo belangrijk is voor de identiteitsontwikkeling.

 

 

Fragmenten en opdrachten

Dit object bestaat uit twee onderdelen met een of meer videofragmenten waarin steeds een praktijkvoorbeeld zichtbaar is. Elk fragment bevat een of meer opdrachten.

Grove motoriek

Dit leeronderdeel bestaat uit een videofragment waarin een praktijkvoorbeeld zichtbaar is. Het fragment bevat twee opdrachten.

Fragment en opdrachten 1

Fijne motoriek

Dit leeronderdeel bestaat uit twee videofragmenten waarin steeds een praktijkvoorbeeld zichtbaar is. Elk fragment bevat een of twee opdrachten.

Fragment en opdrachten 1

 

Bekijk dit beeldfragment goed.
1. Een jongste kleuter is bezig met een strikkenbord. Een meisje uit groep 2 geeft – zo nodig – ondersteuning.
Observeer de motorische vaardigheid van het kind en maak hiervan aantekeningen.
2. Is dit voor het jongetje een eenvoudige of een complexe taak? Motiveer je antwoord.

Fragment en opdrachten 2

Bekijk dit beeldfragment goed.

1. Twee jongens zijn een kasteel aan het bouwen. Observeer de fijn-motorische vaardigheden van deze kinderen. Let daarbij op het gebruik van beide handen.
Maak hiervan aantekeningen en bespreek die in het leerteam.
2. Geef je mening over hun motorische vaardigheden.

Praktijkopdrachten

Dit zijn praktijkopdrachten bij specifieke fragmenten. Bekijk eventueel het bijbehorende fragment nog een keer.

Opdrachten bij Grove motoriek, fragment 1

1. Maak op jouw stageschool een video-opname van een les bewegingsonderwijs (grove motoriek) in een onderbouwgroep, een middenbouwgroep en een bovenbouwgroep.
Kies een aantal observatiepunten (zie ook het boek "Leren kun je observeren” p. 39, 40 en 41).
Andere observatiemogelijkheden kunnen zijn: het samenspel tussen de kinderen, het samenspel jongens - meisjes, het omgaan met regels.
Welke conclusies trek je hieruit? 

2. Bestudeer de literatuur over de identiteitsontwikkeling (psycholoog Erik Erikson) en leg verbanden tussen de fasen van de identiteitsontwikkeling en het geobserveerde gedrag.
Welke fase(n) heb je waargenomen?
Motiveer je antwoord.

3. In de literatuur over bewegingsonderwijs wordt verband gelegd tussen (senso)motorische vaardigheden en de psychische gesteldheid van mensen. Neem een kind dat niet lekker in z’n vel zit en observeer dit kind op het speelplein.
Vul vervolgens onderstaande twee kolommen in.
Psychische gesteldheid / Motoriek
Trek conclusies t.a.v. het verband tussen beide aspecten.

Opdrachten bij Fijne motoriek, fragment 1

1. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de grove motoriek en de fijne motoriek.
Noem een aantal voorbeelden van de grove motoriek en de fijne motoriek.
Welke motorische vaardigheden zijn op een school heel belangrijk? Noteer deze en bespreek ze in het leerteem.

2. Maak een video-opname van de fijne motoriek van een kind uit groep 1, groep 3 en groep 5.
Observeer de opnamen.
Beschrijf het verschil in motorische vaardigheid bij deze kinderen. Bespreek de gemaakte aantekeningen in het leerteam.

Opdrachten bij Fijne motoriek, fragment 2

1. Opdracht in tweetallen. Neem een kind met fijn-motorische problemen uit groep 3. Maak van deze fijn-motorische vaardigheden een opname.
Hoe begeleidt de leerkracht dit kind? Maak hiervan aantekeningen en bespreek ze met je medestudent.

2. Neem twee kinderen uit groep 7 of 8. Dicteer een stukje tekst, bijv. een dictee, en noteer de motorische schrijfvaardigheid en het gedrag van deze kinderen.
Bespreek je aantekeningen met de kinderen zelf en met de leerkracht.