Lerende kinderen

Het je eigen maken van de vaardigheid observeren draagt in hoge mate bij aan de beroepsbekwaamheid als leraar-in-opleiding. Observeren leer je vooral door het vaak te doen, zoals tijdens stages. Dit onderdeel is daarbij behulpzaam door het in beeld brengen van praktijksituaties (good practice en triggers) en daaraan gekoppelde aandachtspunten, vragen en opdrachten.

Leerdoelen

1.  Je onderscheidt verschillende vormen van waarnemen; je herkent waardoor je sommige dingen eerder of sterker waarneemt dan andere.
2.  Je ervaart door het herhaald bekijken van (eigen) video-opnamen, dat je op dezelfde videobeelden steeds weer andere aspecten ziet (selecteert).
3.  Je hebt ervaren wat het verschil is (in werkwijze en effect) tussen afstandelijk en participerend observeren; op basis daarvan kun je aangeven in welke situaties (voor welk doel) je welke vorm kiest
4.  Je hebt ervaren hoe snel je (gedrag van anderen) interpreteert en je kent manieren om dat tegen te gaan of zelfs te voorkomen.
5.  Je kent je eigen referentiekader en weet welke elementen dat bepalen.
6.  Je herkent (bij jezelf en anderen) het verschil tussen het noemen van feiten en het geven van een mening. Je kunt dat toepassen in het beschrijven van / praten over leerlingen.
7.  Je kunt de principes van basiscommunicatie toepassen in interactie met leerlingen en herkent die (of het ontbreken daarvan) ook bij anderen.
8.  Je herkent verbale interactiepatronen tussen een leerkracht (bv. jijzelf) en een groep kinderen en je kan het effect daarvan op de kinderen analyseren.
9.  Je herkent manieren waarop lichaamstaal door een leerkracht wordt gebruikt voor pedagogische doelen.
10. Je bent je op basis van de observatie van video-opnamen van je eigen lesgedrag bewust van (de rol van) je eigen lichaamstaal en je voorkeurpatroon in verbale interactie.
11. Je kunt op basis van het gedrag van kinderen op school achterhalen of zij wel of niet bezig zijn met echt leren/oefenen.

Fragment en opdrachten

Fragmenten en opdrachten 1

Anne en Lotte (groep 3) zijn samen aftreksommetjes onder 20 aan het oefenen. Sommen als 3-3 doen hen steeds weer even aarzelen.

1. Welke interventie pleegt de leraar om hen daarmee te helpen?
2. Is er leereffect?
3. Waaruit lees je dat af?
4. Kun je dat verklaren?

Fragment en opdrachten 2

Maaike (groep 3) wil een letter oefenen.

1. Welke letter wil ze oefenen en waarom?
2. Is Maaike een leerling die moeite heeft met schrijven? Onderbouw je antwoord met beelden uit het fragment!

Fragment en opdrachten 3

 

Laura wil moeilijke woorden oefenen. Maar wat zijn moeilijke woorden?

1. Heeft Laura een beeld van wat moeilijke woorden zijn?
2. Ervaart zij dat oefenen helpt om het beter te gaan doen? Waaruit blijkt dat?

Fragment en opdrachten 4

 

Laura leest nu woorden.

1. Is zij aan het oefenen? Waaruit leid je dat af?
2. Probeer haar gedrag eens te beschrijven! Vergelijk jouw beschrijving met die van een collega die onafhankelijk van jou hetzelfde fragment heeft geobserveerd.

Fragment en opdrachten 5

 

Laura weet best wat zo'n moeilijk woord betekent...

1. Op welke twee manieren legt Laura uit wat fietsbel betekent?
2. Welke rol speelt haar lichaamstaal daarbij?

Fragment en opdrachten 6

 

 

Taysa wil ook graag moeilijke woorden oefenen.
1. Welke kenmerken van moeilijke woorden noemt Taysa allemaal?
2. Welke lichaamstaal laat ze zien en welke rol speelt die?

Samenwerken

Samenwerk en is een middel om tot verdieping te komen: door elkaar uit te leggen wat je bedoelt, of waarom je denkt dat dit een (het) goed(e) antwoord is, groeit een beter begrip. Samenwerken kan ook een effectieve vorm zijn om op een specifieke manier te oefenen, bijvoorbeeld aan iets wat beiden nog moeilijk vinden, of juist door als tutor op te treden bij een ander die iets wil oefenen wat jij al kunt. Laten samenwerken betekent voor de leraar een stukje regie uit handen geven en ook wat meer leergeruis in de klas toestaan. Tegelijk betekent het differentiatie en maatwerk beter mogelijk maken dan wanneer de leraar zelf alle regie en controle in handen houdt.

Fragment en opdrachten 7

 

Je ziet een voorbeeld van samenwerking
1. Wat is de bedoeling van de samenwerking in dit voorbeeld?
2. Wat vind jij de meerwaarde van de samenwerking in dit voorbeeld?

Fragment en opdrachten 8

Je ziet nog een voorbeeld van samenwerking
1. Wat is de bedoeling van de samenwerking in dit voorbeeld?
2. Wat vind jij de meerwaarde van de samenwerking in dit voorbeeld?

Praktijkopdrachten

Praktijkopdracht 1

Leg de startmomenten van enkele van elkaar verschillende lessen vast op video.
a. Observeer op welke manier de leraar duidelijk maakt wat er te leren valt in de les.
b. Vergelijk in diezelfde lessen hoe daarbij wordt ingespeeld op de verschillen in
    onderwijsbehoefte tussen de leerlingen. (verschillen in wat zij nog moeten of willen
    oefenen).
c. Trek daaruit een conclusie en wissel daarover van gedachten met
    collega’s.

Praktijkopdracht 2

Observeer twee leerlingen die iets aan het oefenen zijn.
Kijk en luister wat ze doen en hoe ze dat doen, en geef daarvan een feitelijke beschrijving.
a. Bevraag hen vervolgens over de reden waarom zij dit doen en waarom zij dit zo
    doen. Hoe bewust zijn zij met hun taak bezig?
b. Zie jij mogelijkheden om die effectiviteit of betrokkenheid te vergroten, zonder
    afbreuk te doen aan hun autonomie bij deze taak?
c. Probeer dat eens uit in een volgende les en leg dat vast op video!

Praktijkopdracht 3

Leg de afronding van enkele lessen (bij verschillende vakken) vast op video.
a. Observeer wat de leraar zegt en doet. Hoeveel ruimte krijgen de leerlingen om een
    eigen antwoord te geven? (Waaruit leid je dat af?) Zijn de vragen procesgericht of
    productgericht? (Gaan ze over de manier van leren / oefenen of over de
    antwoorden?)
b. Observeer de reacties van de leerlingen. Geven zij blijk van betrokkenheid bij hun
    leerproces? (Waaruit leid je dat af?)

Praktijkopdracht 4

Doe zelf een procesgerichte nabespreking van het oefenen van een groepje kinderen en leg dat op video vast. Noteer vooraf wat je met dat gesprek wilt bereiken.
a. Beschrijf wat jouw rol in die interactie was.
b. Beschrijf hoe de kinderen verbaal en non verbaal reageerden.
c. Vergelijk beide met je beoogde doel van dat nagesprek. Waaraan schrijf je dat
    toe?