Hoofdstuk 5: Beroepshouding

Dit hoofdstuk gaat over de beroepshouding van een leraar. Hoe ga je professioneel met jezelf en met anderen om. Hoe werk je binnen de doelstelling van de school en hoe handel je beroepsmatig.

Opdrachten

Klik op onderstaande link voor de opdrachten in Word:

Opdrachten hoofdstuk 5: Beroepshouding

Opdrachten hoofdstuk 5: Beroepshouding

1. Eigen grenzen

In de volgende praktijksituatie vertelt een student over haar eerste jaar praktijkervaring op een school.
Margot heeft in het jaar dat ze op De Zevensprong werkt, veel geleerd. In het begin had ze veel moeite met de omgang met ouders. Ouders zagen haar als de deskundige die een antwoord wist op al hun vragen. Maar zo deskundig voelde Margot zich nog niet. Ze deed erg haar best om alle vragen te beantwoorden. Ouders spraken haar ook aan in de supermarkt en bij de sportvereniging over schoolse zaken. Daar had Margot helemaal geen zin in. Ze probeerde zich er snel van af te maken, maar voelde zich daar erg ongemakkelijk bij. Ze kreeg vaak uitnodigingen om op een verjaardagsfeestje van de kinderen te komen of naar hun nieuw ingerichte kamer te kijken. In het begin vond Margot dat wel leuk. Maar ze kwam er erg snel achter dat het veel tijd kost. En ze had al zo weinig vrije tijd, omdat ze ook thuis veel werk deed voor school. Ze wilde de kinderen echter niet teleurstellen. Een ander probleem was de protestants­-christelijke signatuur van de school. Margot is van huis uit wel protestants opgevoed. Dat was een voordeel bij haar sollicitatie. Ze voelt zich echter niet meer echt thuis bij dit geloof en ze heeft veel moeite met de aandacht hiervoor op school.
Gelukkig had Margots mentor in de gaten dat het niet lekker liep. Margot werd erg onzeker en zag er na het weekend als een berg tegenop om weer naar school te gaan. Inmiddels kan ze een duidelijke grens trekken tussen werk en privé. Ze heeft geleerd hoe ze eerlijk kan zijn tegenover zichzelf, de ouders en de kinderen zonder anderen te kwetsen.

Lees de praktijksituatie en wissel hierover van gedachten met je studiegroep. Je kunt dat doen aan de hand van de volgende vragen en opdrachten.
*  Welk aspect of welke aspecten van ‘zorgen voor jezelf ’ komen in de praktijksituatie naar voren?
*  Stel dat Margot haar houding die ze hier beschrijft, niet verandert. Wat zal het gevolg zijn voor haarzelf en de kinderen?
*  Beschrijf een situatie uit jouw praktijk waarbij je het moeilijk vond om de eigen grenzen te bewaken. In een groepje van vijf studenten breng je, net als elk ander groepslid, de situatie in. Overleg met elkaar hoe je in die situatie het beste je grenzen kunt bewaken. Ga als volgt te werk.
–  Breng de situatie in kaart.
–  Stel vast om welke grenzen het gaat.
–  Stel vast hoe je die grenzen het beste kunt bewaken in die situatie, welke problemen je hierbij kunt tegenkomen en hoe je die problemen oplost.
–  Geef vijf gouden tips voor het bewaken van de grenzen in een soortgelijke situatie.
*  Vergelijk de vijf gouden tips met die van twee andere groepjes. Stel op basis van jullie bevindingen de tips bij en motiveer waarom je die wijzigingen hebt aangebracht.

2. Beroepshouding

Met je studiegroep sta je stil bij de beroepscode. Je kunt dat doen door samen een beroepscode vast te stellen voor de omgang met kinderen. Vergeet daarbij vooral niet de bescherming van de persoonlijke en de fysieke integriteit van het kind. Je stelt samen in tien punten vast aan welke eisen de beroepshouding van een leraar moet voldoen in de omgang met kinderen. Motiveer bij elk punt waarom jullie dit hebben opgenomen en waarin de beroepsmatige omgang verschilt van die met kinderen in een privésituatie. Geef met een voorbeeld aan hoe de houding in het handelen duidelijk wordt.

Hoe kun je dat doen?
*  Je begint met een globale inventarisering van wat jullie belangrijke punten vinden als het gaat om de beroepshouding in de omgang met kinderen. Je gebruikt daarbij de informatie in dit hoofdstuk en jullie eigen praktijkervaringen.
*  Vervolgens bestudeer je op je stageschool de beroepscode voor de medewerkers, vooral dat onderdeel dat gaat over de omgang met kinderen. Voeg deze toe aan de punten die jullie al hebben.
*  Op basis van de informatie die jullie nu hebben, stel je de definitieve lijst vast.
*  Wissel de lijsten uit met twee andere groepjes.
Vergelijk de lijsten. Wat zou je op basis hiervan veranderen aan jullie eigen lijst en waarom?

3. Leerkrachten verschillen

Elke leerkracht is anders. Dat komt omdat de persoonlijke kwaliteiten een belangrijke rol spelen bij de uitoefening van dit beroep. Voor een deel liggen je persoonlijke kwaliteiten vast, maar je kunt ze ook verder ontwikkelen. Daarvoor is het belangrijk dat je een goed beeld hebt van wat jij een goede leraar vindt. Welke leerkracht zou jij willen zijn? Welke kwaliteiten en persoonlijke eigenschappen spelen daarin een rol? Dat ga je met deze activiteit ontdekken. Je kunt daarbij kiezen uit drie verschillende verwerkingsvormen.

A. Neem drie leerkrachten in gedachten van wie je op de basisschool of in het voortgezet onderwijs les hebt gehad en aan wie je goede herinneringen bewaart.
*  Geef bij elke leerkracht een korte beschrijving.
*  Motiveer waarom je dit een goede, fijne, prettige leerkracht vond.
*  Noem de persoonlijke kwaliteiten van hem/haar die hieraan bijdroegen.
*  Wat maakt deze leerkracht uniek?
*  Licht elke kwaliteit met een concreet voorbeeld toe.
*  Welke leerkracht zou jij willen zijn en waarom?

B. Observeer drie leerkrachten, terwijl ze lesgeven. Vraag hiervoor aan de betreffende leerkrachten vooraf toestemming. Leg uit wat de bedoeling van de opdracht is en wat je met de observatiegegevens doet. Overleg met je mentor hoe je dit het beste kunt aanpakken.
*  Bedenk vooraf een aantal aspecten waarop je speciaal wilt letten. Denk daarbij aan de beroepshouding!
*  Noteer wat je opvalt en let daarbij vooral op de positieve aspecten.
*  Maak een observatieverslag en vat samen welke persoonlijke aspecten bijdragen aan de beroepshouding van deze leerkracht.
*  Geef bij elke leerkracht in een zin kernachtig weer wat je, in positieve zin, uniek vindt aan deze leerkracht.
*  Welke leerkracht zou jij willen zijn en waarom?

C. Maak een presentatie over de ideale leerkracht.
Welke eigenschappen heeft hij en wat maakt hem uniek? Kies hier zelf een presentatievorm voor in woord of beeld.#