Hoofdstuk 10: Werk- en organisatievormen

Bij de uitvoering van een les maak je gebruik van verschillende werk- en organisatievormen. Dit hoofdstuk behandelt de meest voorkomende vormen: interactievormen, instructievormen, opdrachtvormen, de kring, werken in hoeken, circuit en tafelgroep. Tot slot gaat het in op een ordelijke wisseling van organisatievormen.

Opdrachten

Klik op onderstaande link voor de opdrachten in Word:

Opdrachten Hoofdstuk 10: Werk- en organisatievormen

 

Opdrachten hoofdstuk 10: Werk- en organisatievormen

1. Didactische werkvormen en organisatievormen

Met deze activiteit doe je ervaring op met de vier soorten werkvormen en de keuze van de bijpassende organisatievorm. Probeer de werkvormen zo te kiezen, dat je ook ervaring opdoet met de verschillende organisatievormen. Je kunt deze activiteit dus vier keer uitvoeren, steeds voor een andere werkvorm.
1.  Bespreek met de mentor de doelen van een onderwijsleersituatie voor een groepje kinderen of een individueel kind.
2.   Stel de onderwijsinhouden vast.
3.    Kies op grond van de onderwijsinhouden een geschikte werkvorm.
4.   Kies bij de werkvorm een geschikte organisatievorm.
5.   Maak een plan van uitvoering.
6.   Bied de werkvorm aan volgens het plan.
7.    Bespreek het resultaat met de mentor.
8.    In een verslag van je ervaringen kun je de volgende vragen verwerken:
8a.   Welke werkvorm en organisatievorm heb je gekozen en waarom?
8b.   Hoe zag je voorbereiding eruit?
8c.   Hoe is het in de praktijk gegaan?
8d.   Wat hebben de kinderen geleerd en wat heb je zelf geleerd?

2. Wisselingen

Met deze activiteit besteed je op je stageschool een dag lang extra aandacht aan de overgang van de ene onderwijsorganisatievorm naar de andere. Dat kun je op de volgende manier doen:
1.    Beschrijf de dagindeling van de groep.
2.    Geef aan op welke momenten er wordt overgaan op een andere organisatievorm. Hoe verloopt die overgang? Welke problemen kunnen zich voordoen en hoe worden die voorkomen? Welke regels en afspraken zijn hierover gemaakt?
3.    Welke rol speel jij bij het begeleiden van de overgangen?
4.    Evalueer elke overgang. Is deze volgens plan verlopen? Welke problemen/incidenten hebben zich voorgedaan bij de overgangen en hoe werd hierop gereageerd? Wat was het effect? Wat kun je ervan leren voor een volgende keer?
5.   Bespreek je ervaringen met twee medestudenten en stel samen tien tips op voor een soepele overgang bij het wisselen van organisatievorm.

3. Begeleiden bij verschillende organisatievormen

Om ervaring op te doen bij het begeleiden bij verschillende organisatievormen kun je kiezen uit de volgende activiteiten:

1.    Bereid (in overleg met de mentor) een kringgesprek voor over een onderwerp naar keuze. Motiveer waarom je voor dit onderwerp hebt gekozen. Zet op papier hoe je het gaat doen. Breng dit in praktijk met een klein groepje kinderen of de hele groep en maak een verslag van je ervaringen. Noem de belangrijkste aandachtspunten waaraan je de komende tijd wilt werken.

2.   Kies een van de hoeken uit in de groep van je stageschool. Beschrijf hoe de hoek is ingericht en voor welke activiteit de hoek is bedoeld. Maak tijdens een werkles een observatieverslag. Bedenk van tevoren waar je op gaat letten. Geef in je verslag in ieder geval een antwoord op de volgende vragen.
a.    Hoe verliep de activiteit?
b.    Waren de kinderen betrokken aan het spelen of werken?
c.    Hoe verliep het samenspel of de samenwerking?
d.    Hoe zelfstandig waren de kinderen bezig?
e.    Hoe verliep het opruimen?
f.    Voldeed de hoek aan jouw verwachtingen?
g.    Wat kan er verbeterd worden en hoe zou je dat aanpakken?

3.    Je gaat in overleg met de groepsleerkracht in de midden of bovenbouw een groepje begeleiden tijdens een lesactiviteit in circuitvorm. In het verslag kun je de volgende vragen verwerken:
a.    Uit welke onderdelen konden de kinderen tijdens het circuit kiezen?
b.    Hoe kwam die keuze tot stand?
c.    Hoe zelfstandig waren de kinderen bij de verschillende onderdelen van het circuit aan het werk?
d.    Welke afspraken werden met de kinderen gemaakt en wat kwam daar in de praktijk van terecht?
e.    Welk groepje heb je begeleid? Waarom dat groepje? Waaruit bestond de begeleiding en hoe verliep die?
f.    Wat deed de groepsleerkracht tijdens deze les? 

4. Activiteiten rond een boek

Een verhaal vormt een uitstekend uitgangspunt voor leeractiviteiten die uitlokken tot gesprekken.
Je gaat een serie lesactiviteiten rond een verhaal ontwerpen. Je maakt daarbij gebruik van verschillende groepsvormen en werkvormen. Je besteedt gericht aandacht aan de ontwikkeling van de woordenschat aan de hand van het vierstappenplan van Taallijn (www.detaallijn.nl):
-    Stap 1: selecteer bekende en nieuwe woorden rondom het thema van het boek. De woorden hangen met elkaar samen en je biedt ze aan in een betekenisvolle context.
-    Stap 2: maak de betekenis van de woorden duidelijk door ze uit te beelden, uit te leggen of uit te breiden. Dat doe je bijvoorbeeld door een illustratie te laten zien, in gesprekken en spel.
-    Stap 3: de kinderen oefenen de woorden actief in spelsituaties, liedjes en versjes.
-    Stap 4: controleer in een spelsituatie of de kinderen de woorden kennen.

Je kunt de opdracht uitvoeren met een groepje medestudenten. Je voert de lesactiviteiten zelf uit. Op basis van jullie ervaringen werk je de opzet uit voor gebruik op je stageschool  (Je kiest zelf voor welke groep je de activiteiten ontwerpt).

Je kunt dat op de volgende manier doen:
-    Stel vast op welke groep kinderen deze activiteit is gericht en wat hun beginsituatie is.
-    Kies een verhaal dat past bij het niveau en de belangstelling van deze groep. Motiveer waarom je dit verhaal hebt gekozen.
-    Bekijk de tussendoelen en leerlijnen voor de gekozen groep die horen bij de kerndoelen 1, 2 en 3 van het mondelinge taalonderwijs (je kunt die vinden http://tule.slo.nl/)
-    Ontwerp een serie van minimaal drie lessen waarin in ieder geval de volgende activiteiten aan de orde komen, rekening houdend met de tussendoelen en leerlijnen:
-    introductie van het onderwerp;
-    het verhaal voorlezen;
-    over het verhaal praten;
-    een of meer aansluitende taalactiviteiten;
-    afronding en evaluatie van deze lessenserie.
-    Voer de lessen uit.
-    Evalueer de praktijkervaring en pas de lessen waar nodig aan.
-    Maak een versie van de lesactiviteiten voor publicatie op internet  voorzien van handige tips en aandachtspunten voor het gebruik in de praktijk.

5. Rekenen in samenhang met andere leergebieden

Je bedenkt een opdracht beeldende vorming waarbij kinderen vaardigheden leren die ze bij (taal en) rekenen nodig hebben. Je kunt deze opdracht met een groepje uitvoeren. Je voert de activiteit uit op de stageschool.
-    Bereid de les voor met een lesformulier. Denk goed na over de organisatie en hoe je de begeleiding kunt afstemmen op elk individueel kind.
-    Voer de activiteit in overleg met de mentor uit. Geef in het verslag dat je hierover schrijft antwoord op onderstaande vragen.
-    Wat wil je de kinderen leren?
-    Welke techniek kies je daarvoor en waarom?
-    Wat is het beginniveau van de kinderen en hoe kun je van daaruit verder werken?
-    Hoe verliep de activiteit?
-    Hebben de kinderen zich ook creatief kunnen uiten in de opdracht?
-    Bespreek met een ander groepje elkaars verslagen en wissel ervaringen uit. Noem van de ander twee punten die je erg goed vindt in het ontwerp en de uitvoering van de les en motiveer waarom je dat vindt. Geef een tip waarmee de ander zijn voordeel kan doen. Neem de pluspunten en de tips die jij hebt gekregen van de anderen op in je verslag en voorzie ze van commentaar.