Hoofdstuk 8: Didactische vormgeving

Didactiek is de kunst van het onderwijzen. Hoe geef je het onderwijsleerproces zo vorm dat er sprake is van opbrengstgericht leren? Het didactisch concept is uitgangspunt, daar hoort een didactisch model bij en passende werkvormen. Dit hoofdstuk behandelt de verschillende mogelijkheden om de onderwijsleersituatie didactisch vorm te geven. Aan de orde komen ondermeer het analysemodel van Van Gelder, het model van (activerende) directe instructie, projectonderwijs, ontwikkelingsgericht onderwijs, zelfontdekkend leren en coöperatief leren.

Opdrachten

Klik op onderstaande link voor de opdrachten in Word:

Opdrachten hoofdstuk 8: Didactische vormgeving

Opdrachten hoofdstuk 8: Didactische vormgeving

1. Didactiek

We geven twee voorbeelden van onderwijsleersituaties die niet goed verliepen. Lees de voorbeelden en beantwoord de vragen. Vergelijk je antwoorden met die van twee medestudenten.


1.1    Kinderarbeid

De groepsleerkrachten van de onderbouw hebben een nieuw project bedacht. Het thema is Kinderarbeid in India. Het idee ontstond naar aanleiding van een krantenberichtje waarin stond dat in India kinderen van vijf jaar al aan het werk waren in tapijtfabriekjes. Het project blijkt in de praktijk heel moeizaam te verlopen. Het kost veel tijd om een concreet plan op papier te zetten en voldoende aantrekkelijke activiteiten te bedenken. Ondanks alle tijd die in het project is geïnvesteerd, is het resultaat heel matig. De kinderen zijn niet enthousiast. Het plan om het project gezamenlijk met alle groepen 1 tot en met 4 af te sluiten, gaat niet door. Halverwege het project wordt besloten om het af te sluiten. Iedereen zal voor zijn eigen groep een manier bedenken om het project versneld te beëindigen.
a. Wat vind je ervan dat de groepsleerkrachten besluiten om het project halverwege te stoppen?
b. Hoe komt het dat dit project zo moeizaam van de grond kwam en uiteindelijk mislukte?

 

1.2 Kerken
Lisette heeft voor groep 3 in het kader van wereldoriënterend onderwijs een les voorbereid over de geschiedenis van kerken. Omdat kerkgebouwen een hobby van haar zijn, weet ze er veel van. Ze heeft een grote collectie zelfgemaakte dia’s. Aan de hand van een selectie uit die dia’s laat ze zien welke verschillende soorten kerken er zijn. Ze legt uit hoe je aan de bouwstijl kunt zien uit welke periode ze stammen en waarom de mensen in die tijd zo bouwden. Ze heeft de les goed voorbereid, maar toch heeft ze er achteraf geen goed gevoel over. De kinderen waren druk, ze luisterden slecht en ze stelden nauwelijks vragen.
a.  Leg uit hoe het komt dat deze les niet goed verliep.
b.  Hoe zou jij het hebben aangepakt als je deze groep met dit onderwerp kennis had willen laten maken?

2. Een miniproject

Bereid met je studiegroep een miniproject voor dat je (als dat mogelijk is) met de kinderen in je stagegroep (of met een klein groepje) uitvoert. Het gaat om een kort project dat in maximaal twee weken afgerond kan worden. Motiveer aan de hand van de uitgangspunten van projectonderwijs waarom je kiest voor een project. Je kunt dit doen aan de hand van de volgende aandachtspunten:
-    Kies een onderwerp dat past in het programma in de groep van je stageschool en waarvan je denkt dat het de kinderen aanspreekt en geef aan waarom je dat denkt. Waar let je op bij de keuze van een thema?
-    Wat wil je de kinderen in dit project leren?
-    Welke kennis en ervaring hebben de kinderen al met betrekking tot dit onderwerp?
-    Welke activiteiten bied je aan in het kader van dit project?
-    Geef aan van welke manier van leren bij de verschillende activiteiten sprake is en hoe je bij jouw aanbod rekening houdt met individuele verschillen.
-    Beschrijf hoe je het project bij de kinderen introduceert en hoe je de kinderen denkt te kunnen boeien.
-    Voer in overleg met de mentor het project in de praktijk uit.
-    Beschrijf hoe het project in de praktijk is verlopen, op welke punten het niet goed of juist heel goed liep, en hoe je denkt dat dat komt.

3. Didactiek van ontwikkelingsgericht onderwijs

Je doet met deze activiteit ervaring op met de didactiek van het ontwikkelingsgericht onderwijs. Je gaat hiervoor tijdens een werkles in groep 1 of 2 een groepje kinderen begeleiden in de huishoek of een andere hoek waar veel verbale interactie is te verwachten. Neem de les op een audio recorder op, zodat je bij de evaluatie en verwerking achteraf niet volledig op je geheugen hoeft terug te vallen. Je begint met een observatie op afstand, vervolgens ga je op bezoek in de huishoek en ga je actief het spel begeleiden. Maak van deze les een verslag waarin je ingaat op de hierna volgende vragen. Illustreer je tekst met citaten uit de opgenomen les, zowel dialogen tussen de kinderen onderling als de dialogen die jij met de kinderen hebt gehad. Je kunt het resultaat verwerken in een verslag waarin de volgende punten aan de orde kunnen komen:
-    Met welke activiteiten waren de kinderen bezig totdat jij erbij kwam?
-    Wat is volgens jou de betekenis van die activiteit voor de kinderen?
-    Welke ideeën kwamen er tijdens de observatie bij je op om verdieping te geven aan het spel?
-    Hoe verliep de gezamenlijke oriëntatie op het spel? Liep dit naar tevredenheid?
-    Hoe heb je verdieping gegeven aan de activiteiten en hoe sloot je daarbij aan op de zone van naaste ontwikkeling? Had je, terugkijkend, hier nog meer mee kunnen doen, en op welke manier?
-    Hoe zou je, terugkijkend op de activiteit, het spel kunnen verbreden naar andere activiteiten?
-    Hoe zou je nieuwe handelingsmogelijkheden kunnen toevoegen aan het spel?

4.  Een les ontwerpen en uitvoeren voor oriëntatie op jezelf en de wereld

Met deze opdracht doe je ervaring op met de voorbereiding en uitvoering van een les in het kader van oriëntatie op jezelf en de wereld. Je kunt de opdracht uitvoeren voor een of meer onderdelen van dit leergebied: mens en samenleving, natuur en techniek, ruimte en tijd.
Je ontwerpt met een groepje medestudenten een les voor een van de vakgebieden. Je kiest daarbij een geschikt didactisch model en geschikte werk- en groepsvormen. Je voert zo mogelijk de les uit op je stageschool.
Kies een onderwerp en werk de les uit voor de leeftijdsgroep waarmee jij en je groepsleden op de stageschool werken. Als niet iedereen met dezelfde leeftijdsgroep werkt, maak je verschillende varianten van de les. Gebruik bij je lesvoorbereiding een lesformulier. Iedereen vult zijn eigen lesformulier in en past dit aan bij de beginsituatie van de eigen lespraktijk. Samen overleg je hoe je het gezamenlijke ontwerp aanpast aan ieders persoonlijke lespraktijk. (Denk hierbij aan de leeftijd van de kinderen, de taalvaardigheid, de sociaaleconomische en culturele achtergrond, leer- en gedragsproblemen van individuele kinderen in de groep waarmee je de activiteit gaat uitvoeren, enzovoort.)

-    Kies een vakgebied en vervolgens een onderwerp dat hierbij past. Motiveer waarom jullie voor dit onderwerp hebben gekozen.
-    Stel vast wat het doel is van de les en wat de kinderen aan het einde van de les weten over dit onderwerp.
-    Stel de beginsituatie vast van de kinderen met wie jij gaat werken. Kijk als groepje naar de overeenkomsten en verschillen daarin en bespreek wat dit betekent voor het ontwerp van de les.
-    Kies een didactisch model en motiveer deze keuze.
-    Ontwerp de les en motiveer de keuzen die jullie hebben gemaakt. Denk bij het ontwerp aan de voorbereiding (lesopbouw, materialen, werkvormen, leeractiviteiten, organisatie, differentiatie), de uitvoering (introductie, planning, materialen klaarleggen en opruimen, organisatie) en je eigen rol bij de uitvoering van de les (mate van sturing, kenmerken van de begeleiding, houding en taalgebruik bij introductie, inspelen op wat er gebeurt, inspelen op verschillen tussen kinderen).
-    Voer de les in de praktijk uit en evalueer het resultaat. Wat ging goed, wat zou je de volgende keer anders doen? Wat vonden de kinderen van de leeractiviteiten? Waren ze betrokken bij het onderwerp? Hoe actief waren ze er zelf mee bezig en waar zag je dat aan? Maak een verslag van het verloop van de les en de evaluatie ervan.
-    Wissel je ervaringen uit met de andere leden van je groepje. Wat kunnen jullie hiervan leren? Noem minstens vijf punten.
-    Maak een gezamenlijk eindverslag van deze opdracht en een beschrijving van de les zodat deze door anderen kan worden uitgevoerd.

5. Excursie

Voor de groep waar je stage loopt, zet je een wandeling uit in de directe omgeving van de school. Je kiest een thema voor de wandeling dat aansluit bij een of meer van de onderdelen van oriëntatie op jezelf en de wereld. Als het mogelijk is, voer je de wandeling ook daadwerkelijk uit met de groep waar je hem voor hebt ontworpen. Het product van deze opdracht kan door de school worden gebruikt door andere leerkrachten. Je geeft hiervoor een aantal suggesties om de wandeling zo aan te passen dat hij geschikt is voor een andere leeftijdsgroep en een ander thema. Het product dat je maakt, bevat de volgende onderdelen:
-    een beschrijving van het gebied waar de wandeling plaats vindt: wat is het voor soort gebied, wat is er kenmerkend voor, welke aspecten ervan zou je goed kunnen gebruiken voor een leerzame wandeling?
-    het thema van de wandeling en hoe dit aansluit bij de lessen die aan de orde zijn;
-    wat de kinderen leren;
-    de voorbereiding in de klas;
-    de praktische uitvoering: hoe zorg je dat de wandeling organisatorisch goed verloopt?
-    een beschrijving van de route met vragen, opdrachten en kijkpunten waar kinderen tijdens de wandeling aan werken;
-    verwerkingsactiviteiten na afloop: direct na afloop van de wandeling en in de week erna. Bij de verwerkingsactiviteiten kun je ook andere vakgebieden betrekken. Zorg voor keuzemogelijkheden en variatie;
-    afsluitende activiteit;
-    tips, aandachtspunten en alternatieven voor de leerkracht.

6. Project kunstzinnige vorming

Bij deze opdracht leer je hoe je de verschillende vormen van kunstzinnige vorming kunt samenbrengen in een project. Waar mogelijk betrek je er ook andere vakgebieden bij.

Je ontwerpt met een groepje een project rond een zelfgekozen thema. Je kunt hierbij ook gebruik maken van elementen uit een methode. Alle kerndoelen van het leergebied Kunstzinnige oriëntatie komen in dit project aan bod: maken, beschouwen en cultureel erfgoed. Het project is bedoeld voor de onderbouw en/of de bovenbouw. De groepen 1/2, 3/4, 5/6 en 7/8 werken er ieder op hun eigen niveau aan.
Het project wordt uitgevoerd over een periode van twee weken. Elke dag is er minstens een activiteit in het kader van het project. Het project wordt afgesloten met een afsluitende middag voor de groepen die mee hebben gedaan, waarbij elke groep een presentatie verzorgt, afgewisseld met doe-activiteiten met een speels karakter voor alle kinderen.
Je hoeft het project niet uit te voeren, maar je maakt er een product van dat een school kan gebruiken om het project uit te voeren.

Denk bij het ontwerp van het project aan de kenmerken van projectonderwijs:
-    De uitvoering vindt in verschillende fasen en over een langere periode plaats.
-    Alle activiteiten hebben een relatie met een centraal thema.
-    De leefwereld van het kind staat centraal.
-    De kinderen leren door te doen.
-    De kinderen passen wat ze hebben geleerd toe in andere situaties.
-    De kinderen werken samen zonder verlies van eigen individualiteit.
-    Het gaat niet alleen om kennis en vaardigheden opdoen, maar ook om samen bezig zijn en zelf op onderzoek uitgaan.

Bedenk met je groepje hoe je het project gaat presenteren. Dat kan een digitaal product zijn of bijvoorbeeld een draaiboek met handleiding in een klapper. Bedenk ook materialen waarmee de school het project kan aankondigen. Dat kan bijvoorbeeld een affiche zijn, een informatief artikel voor de nieuwsbrief, een stukje voor de website van de school of een uitgewerkt voorstel voor het bouwoverleg.

Tot slot bedenk je een manier om het product beschikbaar te maken voor basisscholen.

Verder lezen

 

Websites
www.kennisnet.nl
www.citogroep.nl
www.leerkracht.kennisnet.nl/
www.aps.nl/
www.kpcgroep.nl/
www.ogo-academie.nl/
www.paboweb.nl/
http://www.verhalendontwerpen.nl/

Literatuur
Denkorganizers in JSW november 2012: Een activerende didactiek om leerlingen aan het denken en snel aan het werk te zetten.
Janssen-Vos, F. Basisontwikkeling voor peuters en de onderbouw. Van Gorcum, Assen