Hoofdstuk 6: Kinderen begeleiden: Competentie en autonomie

Het gevoel competent te zijn en zelf initiatieven te mogen nemen draagt bij aan zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld. Dit hoofdstuk gaat over wat competentie en autonomie inhoudt, wat het betekent voor kinderen en hoe je kinderen hierin begeleidt. Hoe leer je kinderen zelfstandig werken en samenwerken? Hoe richt je je klas zo in dat die zelfstandig werken bevordert en uitnodigt tot samenwerken?

Opdrachten

Klik op onderstaande link voor de opdrachten in Word:

Opdrachten hoofdstuk 6: Kinderen begeleiden: Competentie en autonomie

Opdrachten hoofdstuk 6: Kinderen begeleiden: competentie en autonomie

1. Zelfstandig werken

Aan de hand van de volgende activiteiten kun je de kennis over zelfstandig werken in de praktijk toepassen.

1.1   Begeleiden bij zelfstandig werken
Bekijk de checklist zelfstandig werken (gedrag kind). Kies een kind uit je stageklas van wie je de indruk hebt dat hij nog niet goed zelfstandig kan werken vergeleken met de andere kinderen in de groep. Gebruik de check¬list en kruis aan wat het kind nog niet kan. Maak nu een plan om het zelfstandig werken te verbeteren. In welke volgorde pak je welke punten aan en hoe begeleid je het kind hierbij? Bespreek dit plan met de mentor en bekijk samen hoe je het kunt uitvoeren. Spreek af na hoeveel tijd je het kind opnieuw observeert aan de hand van de checklist en evalueer het resultaat.

1.2   Toepassen van de checklist zelfstandig werken, gedrag begeleiders
Geef aan de hand van de checklist zelfstandig werken, gedrag begeleiders een oordeel over het zelfstandig werken in je stageklas. Op welke punten zou het zelfstandig werken verbeterd kunnen worden en hoe zou dat aangepakt kunnen worden?

2. Samenwerken

Deze activiteit kun je gedeeltelijk met je studiegroep maken. In dit hoofdstuk staan de sociale vaardigheden beschreven die een kind nodig heeft om te kunnen samenwerken. Kies een van die vaardigheden uit en bereid met je studiegroep een activiteit voor om deze vaardigheid aan een groepje kinderen te leren. Gebruik hierbij een lesformulier (zie paragraaf 9.1.2). Stel ook een persoonlijk leerdoel vast. Voer de activiteit uit op je stageschool. Wissel de ervaringen hiermee uit met je studiegroep en stel op grond hiervan de opzet van de activiteit zo nodig bij. Kies een presentatievorm om het resultaat van deze activiteit te verwerken.

3. Zelfvertrouwen versterken

Gebrek aan zelfvertrouwen is een belangrijke oorzaak van probleemgedrag in de klas. Het is belangrijk dat je in je pedagogische aanpak kinderen het gevoel geeft dat ze het goed doen. Bij de volgende activiteit werk je bewust aan de manier waarop je in de praktijk het zelfvertrouwen van kinderen versterkt. Je antwoorden en ervaringen kun je verwerken in een presentatie en uitwisselen met je studiegroep.

3.1    Stel tips op over hoe je op een praktische manier tijdens de begeleiding van kinderen hun zelfvertrouwen vergroot. Geef bij iedere tip een praktijkvoorbeeld.

3.2    Maak een praktisch plan om het zelfvertrouwen van kinderen in de praktijk te versterken.
a.    Kies een begeleidingssituatie die zich regelmatig voordoet als je werkt met een klein groepje kinderen.
b.    Geef concreet aan hoe je (tot nu toe) in die begeleidingssituatie het zelfvertrouwen van de kinderen versterkt.
c.    Geef van elk kind aan of je vindt dat het veel, gemiddeld of weinig zelfvertrouwen heeft en uit welk gedrag dit blijkt.
d.    Hoe werk je aan het versterken van het zelfvertrouwen van de kinderen in het algemeen? Formuleer wat je gaat doen in termen van gedrag.
e.    Hoe werk je aan het versterken van het zelfvertrouwen van de kinderen uit het groepje dat je begeleidt met weinig of gemiddeld zelfvertrouwen? Formuleer wat je gaat doen in termen van gedrag.
f.    Maak van d. en e. een lijstje actiepunten.
g.   Kies uit dit actiepuntenlijstje een punt waar je de komende tijd aan gaat werken. Maak een plan van aanpak. Zet daarin wat je gaat doen, hoe je het gaat doen, welk resultaat je verwacht en hoe je kunt vaststellen of je het resultaat hebt bereikt.
h.   Voer je plan uit.
i.    Evalueer het resultaat