Hoofdstuk 3: Sociaal-culturele achtergrond

Kinderen verschillen in sociaal-culturele achtergrond. Kennis hiervan helpt je om bij je onderwijs aan te sluiten op de belevingswereld van kinderen. De ecologische pedagogiek laat de verschillende leefwerelden van een kind zien in een ecologisch systeem. In dit hoofdstuk wordt verder het socialisatieproces behandeld, het gezin en zijn verschillende verschijningsvormen, wetten rondom kind en gezin, de risicofactoren in gezinsachtergrond zoals kindermishandeling, de diversiteit in culturele achtergrond en hoe je hiermee om kunt gaan. Belangstelling en respect zijn de basis voor een klimaat waarin ieder kind zich erbij hoort voelen en mee mag doen.

Opdrachten

Klik op onderstaande link voor de opdrachten in Word:

Opdrachten hoofdstuk 3: Sociaal-culturele achtergrond

Opdrachten hoofdstuk 3: Sociaal-culturele achtergrond

1. Sociaal culturele verschillen

De sociaal-culturele achtergrond van een kind heeft invloed op zijn gedrag. Daarbij spelen veel factoren een rol. Met deze  verwerkingsactiviteit ga je je verdiepen in een van die factoren aan de hand van een onderzoeksvraag die je zelf kiest. Je kunt deze activiteit alleen uitvoeren of met een je studiegroep.

Je kunt dat als volgt doen:
-    Kies een onderzoeksvraag m.b.t. de sociaal-culturele achtergrond van kinderen, die betekenis heeft voor de onderwijspraktijk. Je kunt hierbij denken aan een aspect van de gezinsomstandigheden of de sociaaleconomische of etnische achtergrond.
-    Kies een presentatievorm. De vorm is mede afhankelijk van het doel ervan.
-    Maak een opzet door het stellen van de volgende vragen.
-    Wat willen jullie weten over dit onderwerp en met welk doel?
-    Wat weet je al en waar wil je meer over weten?
-    Heb je een concreet voorbeeld dat je als kapstok kunt gebruiken?
-    Verdeel de taken.
-    Voer het plan uit. Zoek informatie in vakliteratuur, tijdschriften, video, op internet en in je eigen praktijk.
-    Bereid samen de presentatie voor en voer hem uit.
-    Evalueer het resultaat en de totstandkoming ervan.
-    Eventueel kan er voor gekozen worden om het resultaat van de verschillende studiegroepen aan elkaar te presenteren.

2. Sociaal-culturele achtergrond

Als je op een nieuwe school stage gaat lopen, is het prettig om snel iets te weten over de achtergrond van de kinderen met wie je gaat werken.  Bij deze verwerkingsactiviteit gaat het niet om de achtergrond van elk kind persoonlijk, maar om een globale indruk van de schoolbevolking. Je presenteert de resultaten in een zelfgekozen vorm. Het kan een verslag zijn, een artikel, maar ook bijvoorbeeld een powerpointpresentatie of een posterpresentatie.

 In de presentatie kun je aandacht besteden aan de volgende aspecten:
-    Uit wat voor milieu komen de kinderen?
-    Welke etnische achtergrond hebben ze?
-    Hoe ziet de buurt eruit waar ze wonen?
-    Wat voor faciliteiten zijn er in de buurt?
-    Wat doen de kinderen na school?
-    Gaan ze veel naar sportclubs, muziekles of andere clubs?
-    Zijn er specifieke problemen in de buurt waar de kinderen wonen (denk bijvoorbeeld aan verkeersoverlast, geen speelgelegenheid, werkloosheid, een grote concentratie eenoudergezinnen, drugsgebruik).
-    Wat zie je van die achtergrond terug op school in de taal en in het gedrag van de kinderen?
-    Wat merk je daar zelf van bij de begeleiding van de kinderen en hoe speel je erop in?

3. Risicofactoren in gezinssituaties

Je gaat je verdiepen in risicofactoren in gezinssituaties. Je kiest met je studiegroep een type risicosituatie. Dat kan een gezinssituatie zijn die in dit boek is beschreven, bijvoorbeeld sociaalzwakke gezinnen, eenoudergezinnen of stiefgezinnen, maar je kunt ook een andere situatie kiezen, bijvoorbeeld huwelijksproblemen van de ouders, psychiatrische problemen bij een van de ouders, ingrijpende gebeurtenissen in het gezin of het hebben van een gehandicapt broertje of zusje. Je verdiept je in de achtergrond van de problematiek, de gevolgen ervan voor het kind en de mogelijkheden van de school om adequaat op de problematiek in te spelen. Je maakt over dit onderwerp een presentatie. Kies zelf in welke vorm je dat doet. Je kunt ook met je klas kiezen voor een presentatievorm in het kader van een themadag.

De volgende punten geven je houvast bij het uitvoeren van deze activiteit.
a.    Welke situatie kies je en waarom? Laat je bij je keuze leiden door jullie eigen praktijk. Kies een risicosituatie waar je in de praktijk ook mee te maken hebt. Maak daar een voorbeeldbeschrijving van. Let wel op privacy en zorg dat de gekozen voorbeelden niet zijn terug te leiden tot een bepaald kind.
b.    Welke vragen hebben jullie over dit onderwerp? Inventariseer de vragen en groepeer ze vervolgens naar onderwerp.
c.    Zoek informatie om de vragen te beantwoorden.
d.    Verwerk de informatie in een presentatie. Licht de informatie toe met veel (anonieme) voorbeelden uit jullie eigen praktijk
e.    Het is natuurlijk erg leuk en leerzaam als je ook hoort wat de andere studiegroepen hebben gedaan en hebben gevonden. Dat kan bijvoorbeeld op een themadag waarbij elke studiegroep een presentatie verzorgt.

4.  Decemberfeest

Deze activiteit bestaat uit twee delen. De discussie van het eerste deel is een voorbereiding op het tweede deel.

a.   Lees de praktijksituatie bij deze activiteit en discussieer met je studiegroep over de vragen.

Kerstspel
Een van de wijzen is Turks, een van de soldaten Chinees. Maria is een kop groter dan Jozef. Groep 8 van de openbare basisschool De Twijn repeteert het kerstspel dat vanavond op de binnenplaats zal worden opgevoerd. De overige klassen doen bij de repetitie dienst als koor en publiek. ‘Ik geloof niet in Jezus en zo’, zegt Sarah uit groep 5. ‘Ik geloof in de Marokkaanse God.’ Ook Sherida (9), een struise blonde Utrechtse, gelooft niet in ‘deze Jezus’. De bijbel of de koran zegt de meisjes niets. ‘Ik kan geen Marokkaans lezen,’ licht Sarah toe. ‘Maar God is wel leuk’, vindt Sherida. ‘Het is wel interessant dat hij niet meer leeft, maar met de kerst wel. Ik wil hem best wel eens ontmoeten.’
De Twijn is een uitzondering. De meeste openbare scholen houden zich verre van het bijbelse kerstspel. Als het even kan komt de geboorte van Christus niet aan de orde.
Alinea uit: ‘Couscous en bara als kerstmaaltijd’. Eerder verschenen in: NRC Handelsblad, 22 december 1999

-    Wat vind je ervan om op een openbare basisschool het kerstspel op te voeren?
-    Vind je dat een openbare basisschool aandacht moet besteden aan de christelijke achtergrond van Kerstmis? Licht je antwoord toe.
-    Zou je op een openbare school Kerstmis vieren en hoe zou je dat doen?

b.    Bedenk een decemberfeest
Maak met je studiegroep een opzet voor een decemberfeest waarin kinderen van verschillende culturen zich kunnen herkennen. Als de tijd van het jaar zich hier minder voor leent kan er ook gekozen worden voor een alternatief. De volgende aandachtspunten kunnen je op weg helpen.
-    Wat is de doelgroep? Geef een beschrijving van de leeftijd, belangstelling en sociaal-culturele achtergrond.
-    Op welk moment wordt het feest gegeven, waar en hoe lang duurt het?
-    Wat ga je doen en waarom?
-    Wat heb je nodig om het plan uit te voeren? Bijvoorbeeld geld, middelen, hulp, enzovoort.
-    Hoe houd je bij de opzet van het feest rekening met de achtergrond van de doelgroep en de schoolcultuur?
-    Waarom vinden jullie het een goed plan?

5.    Prentenboek intercultureel

Een prentenboek of jeugdboek is een prima hulpmiddel om een interculturele activiteit te starten. Je kunt het gebruiken om een gesprek om gang te brengen en je kunt er een verwerkingsactiviteit aan verbinden. Een voorbeeld van zo’n boek is Op een middag de wereld rond van  Ursula Kirchberg. Bij Joris in de klas zitten kinderen uit allerlei landen. Elk kind vertelt zijn verhaal. Het boek is prachtig geïllustreerd door de auteur zelf. Het is uitgegeven door uitgeverij Christofoor in Zeist.
Het is een van de vele boeken die op internet en in de bibliotheek zijn te vinden. Met deze verwerkingsactiviteit, die uit drie onderdelen bestaat, ga je hier gericht naar zoeken. Als je stage loopt en de stageplaats hier de mogelijkheid voor biedt, kun je het derde onderdeel in de praktijk uitvoeren.

a.    Oriënteer je op internet en kies 5 boeken die je zou kunnen gebruiken voor een interculturele activiteit. Geef een korte beschrijving van de boeken en motiveer waarom je ze zou kunnen gebruiken bij een interculturele activiteit.

b.    Bekijk deze boeken op de bibliotheek en kies één boek uit dat je het meest geschikt vindt voor de groep waar je stage loopt. Zijn de boeken niet aanwezig of vind je ze uiteindelijk toch minder geschikt, dan zoek je op de bibliotheek een beter alternatief. Motiveer waarom je dit boek hebt gekozen.

c.    Je bereidt een les voor waarbij je dit boek als uitgangspunt. Je leest het verhaal voor. Naar aanleiding van het verhaal voer je een kringgesprek. Aansluitend doe je met de kinderen een verwerkingsactiviteit. Je kunt de activiteit met een klein groepje kinderen uitvoeren of met de hele groep. De volgende aandachtspunten kun je gebruiken bij het uitvoeren van deze activiteit:
-    Bereid de les goed voor. Stel vooraf welk doel je met de les wilt bereiken.
-    Denk na hoe je het boek introduceert en hoe je het verhaal vertelt.
-    Bedenk sleutelvragen bij het verhaal om het gesprek op gang te brengen.
-    Bedenk een verwerkingsactiviteit die binnen twintig minuten afgerond kan worden en die past bij het beginniveau en de leefwereld van de kinderen. Bedenk wat je ermee wilt bereiken, wat je nodig hebt om de activiteit uit te voeren en hoe de organisatie eruit ziet.
-    Voer je plan uit (Voorlezen, kringgesprek en verwerkingsactiviteit).
-    Evalueer hoe de les is verlopen. Hoe reageerden de kinderen? Verliep de activiteit zoals je je dat had voorgesteld? Kwam het interculturele aspect goed uit de verf? Heb je je doel bereikt? Wat zou je een volgende keer anders doen?

6. Rechten van het kind

Kinderen verschillen in sociaal-culturele achtergrond. Maar alle kinderen over de hele wereld hebben dezelfde rechten. Het is belangrijk dat kinderen weten wat hun rechten zijn. Je gaat  daarom een miniproject opzetten over de rechten van het kind. Het project is bestemd voor de groep waar je stage loopt en sluit aan bij het niveau en de belangstelling van deze kinderen. Zo mogelijk voer je het in de praktijk uit. De voorbereiding kun je gezamenlijk doen met je studiegroep. Op internet zijn verschillende materialen te vinden voor dit onderwerp. Kijk bijvoorbeeld op http://www.unicef.nl/ of www.plannederland.nl.

Informatie over het opzetten van een project staat in hoofdstuk 8.4.1.

Verder lezen

 

Websites
http://burgerschapindebasisschool.nl
http://www.nji.nl/
www.amk-nederland.nl
www.meldcode.nl
www.plannederland.nl
www.samsam.net
www.stichtingechelon.nl
www.toonspeziaal.nl
www.unicef.nl
www.voo.nl

Vakliteratuur
Bas, Jan de. Burgerschapsvorming. Jong gedaan, oud geleerd. JSWboek, Bekadidact, Baarn 2008.
Hajer, M. e.a., Multicultureel onderwijs, Open ogen in een kleurrijke klas: perspectieven voor de lespraktijk, Coutinho, Bussen, 2007