Werkstuk maken

Als je eindproduct een werkstuk moet zijn, dan is het de bedoeling dat je iets onderzoekt of opzoekt en dat opschrijft. Voor de lezer moet je tekst duidelijk en leesbaar zijn. De lezers zijn in de meeste gevallen je docent en je groepsgenoten. Hou daar met je taalgebruik rekening mee.

 

Maak voor je gaat schrijven eerst een plan voor je tekst. Zo’n tekstplan bestaat uit drie delen:

  • een inleiding
  • een kern
  • een slot

 

 

  • In de inleiding schrijf je:

     

    • wie je bent
    • wat de reden van je werkstuk is. Bijvoorbeeld een opdracht bij een vaardigheid.
    • wat het onderwerp van je werkstuk is
    • welke vraag je met het werkstuk wilt beantwoorden. Dat is je centrale vraag. Centrale vragen kunnen bijvoorbeeld zijn:

      Hoe werken de sociale voorzieningen?

      Welke informatie staat er in de brochures die we gevonden hebben?

    • wat je hebt gedaan om aan informatie te komen en hoe je de informatie gevonden hebt
    • hoe de rest van je werkstuk eruit ziet

     

  • In de kern schrijf je:

     

    • welke informatie je hebt gevonden
    • welke conclusies je trekt
    • wat het antwoord is op je centrale vraag

    De kern is meestal het grootste deel van je werkstuk. Je geeft hier bijvoorbeeld veel informatie die je gevonden hebt. Je kunt de kern voor de leesbaarheid verdelen in hoofdstukken. Met de inleiding en het slot heb je dan al een inhoudsopgave van je werkstuk.

     

     

  • In het slot schrijf je:

     

    • in het kort wat je conclusies zijn
    • wat je van de opdracht hebt geleerd
    • hoe je het vond om aan deze opdracht te werken.

     

    Met behulp van je tekstplan kun je je tekst gaan schrijven.

    Zorg ervoor dat je werkstuk leesbaar is, dat het er verzorgd uitziet en dat je taalgebruik juist en correct is.

    Je kunt de studiehulp 'werkstuk maken' downloaden als Word-bestand.