Blok 1

Blok 1 gaat over ‘na schooltijd’.
Dit zijn de opdrachten bij blok 1:

 

  • Gebarentaal (internetopdracht)
    Wil jij gebarentaal leren? Dat kan!

----------

Gebarentaal (internetopdracht)

Opdracht 1 Bedenken

Je hebt in les 3 van hoofdstuk 3 gelezen over gebarentaal.
Gebarentaal is de taal waarmee dove mensen met elkaar praten.

  1. Ken jij iemand die gebarentaal kan?
  2. Lijkt het je moeilijk om gebarentaal te leren?

Opdracht 2 Doen

Gebarentaal heeft een speciaal gebarenalfabet. Je gaat straks dit alfabet opzoeken en zelf iets 'zeggen' in gebarentaal.

  1. Ga naar de site over vingerspelling.
  2. Type jouw naam in en klik op 'vertaal'. Kijk hoe je jouw naam 'zegt' in gebarentaal.
  3. Wil je nog een naam vertalen? Klik dan op 'Begin opnieuw'.

Opdracht 3 Doen

Jullie gaan nu in gebarentaal met elkaar praten.

  1. Ga naar deze pagina met het Nederlandse gebarenalfabet
  2. Print eerst het gebarenalfabet.
  3. Ga tegenover elkaar zitten. Een van jullie gaat achter de computer zitten, met de pagina van het gebarenalfabet op het scherm. De ander houdt het printje van het gebarenalfabet voor zich.
  4. Schrijf een woord op dat je gaat uitbeelden. Bijvoorbeeld: broek. Zorg ervoor dat de ander het niet ziet!
  5. Beeld het woord uit in gebarentaal. De ander moet ontcijferen wat je zegt.
    Let op: je beeldt de gebarentaal uit met je rechterhand!
  6. Beeld nu een zin uit in gebarentaal. Bijvoorbeeld: Ik eet een appel.
  7. Wissel daarna om.

Opdracht 4 Terugkijken

  1. Lukte het om elkaar te verstaan?
  2. Welke letters vonden jullie moeilijk om uit te beelden? Waarom?
  3. Zijn er gebarenletters die op gewone letters lijken? Welke?