Allemaal getallen

Overal om ons heen zijn getallen. Als we opstaan kijken we op de wekker. De thermostaat moet omhoog. U controleert de datum op het pak melk: is die nog houdbaar? Kijk even op de kalender: over een week is Paula jarig. Ze wordt dan alweer drie. En al die getallen zitten weer een beetje anders in elkaar. Je mag er ook niet dezelfde dingen mee doen. Optellen bijvoorbeeld: Paula is drie en ik ben vierendertig. Zijn we samen zevenendertig? Dat is onzin natuurlijk.

En wat gebeurt er als we terugtellen? Drie, twee, een, nul. Paula was ooit nul. Maar op de kalender kunnen we niet op deze manier terugtellen: nul maart bestaat niet.

Ook kinderen komen met dit soort getallen in aanraking. Daarom is het goed dat het rekenboek aandacht besteedt aan de getallen in de echte wereld. Getallen en rekenen is niet iets dat alleen op school tijdens de rekenles van belang is!

In het begin van groep 3 leren kinderen eerst de getallen tot tien en dan al gauw die tot twintig. Dat gebeurt eerst heel concreet. Ze leren dat een getal een eigen plekje heeft in een rij van getallen, dat het een groepje concrete dingen kan zijn en dat er een symbool voor is.

Ook leren kinderen dat je een getal op verschillende manieren kan weergeven. Bij dat weergeven is het belangrijk dat een kind leert hoe je in een keer de hoeveelheid kan overzien, bijvoorbeeld met fiches in twee rijtjes onder elkaar, met vingers en met turfstreepjes. In al die manieren van weergeven kan een kind handig gebruik maken van de vijf. Want de vijf is nu eenmaal een aantal dat jonge kinderen makkelijk overzien. Grotere aantallen leren ze dan snel te herkennen als vijf en nog wat. Ze herkennen bijvoorbeeld acht als vijf en drie. De tien is ook makkelijk: twee volle handen.